zoeken

Diverse oude diploma’s geven per 2-1-2017 geen recht meer op bijschrijving in het Register Sociale Hygiëne

Uit hoofde van de Drank- en Horecawet (DHW) en de daaruit voortvloeiende regeling bewijsstukken Sociale Hygiëne, is aan SVH (Stichting Vakbekwaamheid Horeca) de exclusieve bevoegdheid toebedeeld om de Verklaring kennis en inzicht sociale hygiëne (hierna: “Verklaring’) af te geven. Deze Verklaring is een vereiste vanuit artikel 8, lid 3 van de Drank- en Horecawet.

Binnen SVH is een apart, onafhankelijk orgaan ingesteld om deze Verklaring af te geven en de eisen op te stellen voor die Verklaring, namelijk de Landelijke Examencommissie van SVH (hierna: “de LEC-SVH”).

Daarnaast is de LEC-SVH aangewezen als Registerhouder en beheert zij het Register Sociale Hygiëne. In dit openbaar en online Register worden alle Verklaringhouders bijgeschreven door de LEC-SVH.

Niet het diploma maar deze Verklaring van de LEC-SVH is het bewijsstuk van bijschrijving in het Register en daarmee voorwaarde voor het aanvragen van een vergunning in het kader van de DHW.

Overzicht bewijsstukken en Register

Per genoemde datum zijn alleen nog de diploma’s geldig die op het overzicht van bewijsstukken staan.

Klik hier voor dit (voorlopige) overzicht van 12 januari 2017.

De Verklaring die door de LEC-SVH is uitgegeven, volstaat weliswaar als bewijsstuk, maar er dient altijd controle plaats te vinden of de aanvrager is bijgeschreven in het Register Sociale Hygiëne.

Waarom vervallen?

De oude diploma’s die zijn vervallen, betreffen talloze verouderde diploma’s die geen enkel raakvlak hebben met de geldende eisen die in september 2016 zijn vernieuwd door de LEC-SVH.

Voor alle vervallen diploma’s is vastgesteld dat ze essentiële onderdelen missen zoals gesteld bij Sociale Hygiëne. De onderdelen die bij alle vervallen diploma’s missen, betreffen kennis van gespreksmodellen om gasten aan te spreken op gedrag, het herkennen van symptomen van drugsgebruik en de gevolgen van alcoholgebruik. Op deze manier is niet vol te houden dat de oude diploma’s staan voor een eenduidige en betrouwbare borging van kennis van en inzicht in Sociale Hygiëne.

Het belang van volksgezondheid is niet gebaat bij het langer erkennen van diploma’s die deze cruciale onderdelen missen.

Aanpassing Bouwbesluit 2012 aan het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet

Eerder deelde minister Stef Blok voor Wonen en Rijksdienst aan de VNG mee dat hij voornemens was om specifieke horeca-eisen uit het Bouwbesluit 2012 te schrappen en in het Bouwbesluit te verwijzen naar de technische voorschriften die volgen uit het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet.

De reden daarvoor is met name terug te vinden in het feit dat een ondernemer die een omgevingsvergunning heeft verkregen voor de bouw/verbouw van een horecabedrijf, vaak, naast de eisen vanuit het Bouwbesluit 2012, nog aanvullende maatregelen moet treffen om te voldoen aan de eisen vanuit het Besluit eisen inrichtingen DHW.

Minister Blok heeft nu bij de Kamer een concept-Besluit voorgehangen waarmee onderdelen van het Bouwbesluit 2012 worden afgestemd op het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet (Besluit DHW).

Met dit wijzigingsbesluit worden enkele relevante eisen voor ventilatie, plafondhoogtes en sanitair in het Bouwbesluit 2012 geschrapt en is zeker gesteld dat de (strengere) eisen uit het Besluit DHW voorgaan.

Met de aanpassing van het Bouwbesluit 2012 aan het Besluit DHW wordt getracht te voorkomen dat ondernemers, na het bouwen conform het Bouwbesluit 2012, aanvullende kosten moeten maken om hun gebouw alsnog te laten voldoen aan de eisen op grond van het Besluit DHW.

Het is dan ook de verwachting dat dit voorstel hiermee in kwalitatieve zin zal bijdragen aan de vermindering van ervaren regeldruk omdat er minder gauw sprake zal zijn van misverstanden bij horecabedrijven over de aard en omvang van de eisen waaraan zij moeten voldoen.

 

Klik hier voor het Besluit van xxx, houdende wijziging van het Bouwbesluit 2012 inzake afstemming met het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet

FacebookTwitterGoogle+LinkedInEmail

Aanpassing eerder ingediende vergunningsaanvraag

Nog te vaak hoor ik van cursisten tijdens mijn trainingen dat zij het betreffende bestuursorgaan adviseren om een vergunningsaanvraag te weigeren, terwijl er met een kleine wijziging van deze vergunningsaanvraag geen reden zou zijn geweest om de aanvraag te weigeren. De eigenlijk van toepassing zijnde weigeringsgrond zou derhalve met deze aanpassing kunnen worden weggenomen.

In dat kader merk ik nogmaals op dat het in beginsel regel is dat een bestuursorgaan beslist op een aanvraag zoals deze is ingediend.

Het kan echter voorkomen dat het bestuursorgaan onder omstandigheden bevoegd of zelfs gehouden is de aanvrager vooraf in de gelegenheid te stellen de aanvraag aan te passen.

Voor overleg daaromtrent kan met name aanleiding bestaan indien door aanpassing van de aanvraag kan worden bewerkstelligd dat een zich voordoende (en hiervoor genoemde) weigeringsgrond wordt weggenomen, alsook indien twijfel rijst of de aanvraag de bedoelingen van de aanvrager juist en volledig weergeeft. Daarbij moet dan wel sprake zijn van een wijziging van ondergeschikte aard.

Deze handelswijze is reeds op 28 maart 2007 door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State aan de orde gesteld (zie ECLI:NL:RVS:2007:BA1701). Op 28 december 2016 heeft de Afdeling deze handelswijze weer eens opnieuw bevestigd (zie: ECLI:NL:RVS:2016:3461).

Kortom, kijk bij een vergunningsaanvraag dus goed of de hiervoor beschreven situatie mogelijk aan de orde is.

 

Frank Joosten

FacebookTwitterGoogle+LinkedInEmail

NIEUW: Jurisprudentiebespreking Bijzondere Wetten

Bijzondere wetgeving is niet ondergebracht in één integrale wet, maar is te vinden in diverse gemeentelijke verordeningen, beleidsdocumenten en in verschillende nationale en internationale wet- en regelgeving. Deze wetten en regelingen staan weliswaar op zichzelf, maar zijn dikwijls ook onlosmakelijk met elkaar verbonden, vaak bewegend in het politieke krachtenveld.

De inhoud is complex en de veelheid van en integraliteit aan onderwerpen maakt de toepassing in de dagelijkse praktijk moeilijk. De stroom aan jurisprudentie maakt het er bovendien niet makkelijker op.

Jurisprudentie geeft dikwijls nieuwe uitleg aan bestaande wetgeving of houdt (oude) betekenissen juist in stand.

Dit rechtersrecht is nodig omdat een wet nooit alles kan regelen, er ontstaan altijd uitzonderings- en/of  twijfelgevallen. Soms wordt er door de wetgever juist met opzet een keuzevrijheid aan de rechter gegeven. Kortom, jurisprudentie kleurt de wetten in, ook de bijzondere wetten.

Het is, zeker voor juristen werkzaam in het vakgebied van bijzondere wetgeving, erg belangrijk om continue op de hoogte te zijn van de laatste uitspraken op dit vakgebied, mede om te voorkomen dat onjuiste toepassing kan leiden tot juridische, praktische, politieke of maatschappelijke complicaties.

Op 1 juni a.s. bespreek Frank Joosten met u de meest actuele jurisprudentie op het vakgebied. Na afloop van deze training ontvangt u een digitaal handboekje met de besproken jurisprudentie toegezonden.

Klik hier voor meer informatie.

FacebookTwitterGoogle+LinkedInEmail

Fiscaalrechtelijke antecedenten en de beoordeling van het levensgedrag van artikel 8, lid 1 aanhef en onder b van de Drank- en Horecawet

Mag de burgemeester fiscaalrechtelijke antecedenten betrekken bij de beoordeling met betrekking tot het al dan niet voldoen aan het vereiste van het levensgedrag zoals beschreven en vereist in artikel 8, lid 1 aanhef en onder b van de Drank- en Horecawet?

Deze vraag kwam aan de orde bij de uitspraak van de Rechtbank Overijssel van 29 december 2016 (ECLI:NL:RBOVE:2016:5190).

Van een op de aanvraag om vergunning vermelde leidinggevende bleek dat deze activiteiten/werkzaamheden heeft verricht voor zijn broer en een bevriende autohandelaar.

Met betrekking tot de activiteiten voor zijn broer wijst de rechtbank er allereerst op dat eiser heeft verklaard dat hij zijn broer hele dagen hielp, gedurende een periode van ca 1,5 jaar, bij een langdurende verbouwing van [naam cafe].

Voorts heeft deze leidinggevende blijkens het door hemzelf opgestelde en ingediende ondernemersplan in de afgelopen 3,5 jaar zijn broer, die voorheen de onderhavig horeca-inrichting exploiteerde, geholpen in die inrichting en aldaar ervaring opgedaan als fulltime leidinggevende.

De rechtbank is van oordeel dat deze activiteiten kunnen worden aangemerkt als op geld waardeerbare activiteiten. Uit eisers verklaringen valt voorts af te leiden dat hij voor zijn activiteiten/werkzaamheden kost en inwoning van zijn broer kreeg. Ook deze tegenprestaties kunnen als op geld waardeerbare tegenprestaties worden aangemerkt.

Met betrekking tot de activiteiten voor de bevriende autohandelaar is de rechtbank gebleken dat eiser in ruil daarvoor een auto ter beschikking is gesteld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder deze activiteiten van eiser als de tegenprestatie van de autohandelaar kunnen aanmerken als op geld waardeerbare prestaties.

Eiser heeft deze activiteiten/(tegen)prestaties/werkzaamheden niet gemeld bij de belastingdienst.

Eiser heeft zich op het standpunt gesteld daartoe ook niet gehouden te zijn geweest nu hij niet in loondienst is geweest en het om “hand- en spandiensten in de familiekring” en om “vriendendiensten” ging.

De rechtbank is van oordeel dat het al dan niet in loondienst zijn geweest niet bepalend is en evenmin of er al dan niet sprake is geweest van “hand- en spandiensten” dan wel “vriendendiensten” nu het om activiteiten/(tegen)prestaties/ werkzaamheden ging, die van meer dan beperkte omvang zijn geweest. Verweerder heeft eiser dan ook kunnen tegenwerpen dat hij deze niet ten minste ter beoordeling heeft gemeld bij de belastingdienst.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de burgemeester heeft kunnen concluderen dat er tevens sprake is van fiscale antecedenten en dat hij deze bij zijn afweging heeft mogen betrekken.

Die afweging heeft erin geresulteerd dat de burgemeester in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat eiser niet voldoet aan de eis dat hij niet in enig opzicht van slecht levensgedrag is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de burgemeester ingevolge het bepaalde in artikel 27, eerste lid, van de DHW in verbinding met artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de DHW gehouden was de gevraagde vergunning ingevolge de DHW te weigeren zoals hij heeft gedaan.

Klik hier voor de volledige uitspraak.

FacebookTwitterGoogle+LinkedInEmail

Uitspraak ABRvS 28-12-2016: In slijterij in een supermarkt moet altijd een leidinggevende aanwezig zijn

In slijterijen in supermarkten zal permanent een leidinggevende aanwezig moeten zijn. Dat blijkt uit drie uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van vandaag (28 december 2016). Tegen de uitspraken is geen hoger beroep mogelijk.

Achtergrond

SlijtersUnie had de burgemeesters van Sint-Oedenrode, Someren en Schijndel gevraagd om maatregelen te nemen tegen drie slijterijen in supermarkten in hun gemeenten. Volgens SlijtersUnie was er in de slijterijen niet permanent een leidinggevende aanwezig, terwijl de Drank- en Horecawet dat volgens hen wel verplicht. De burgemeesters wezen de verzoeken van SlijtersUnie af, omdat in hun visie de supermarkt en de slijterij samen de ‘inrichting’ vormen. De rechtbank Oost-Brabant oordeelde in 2015 in drie afzonderlijke uitspraken dat de Drank- en Horecawet wel is overtreden. Tegen die uitspraken kwamen de burgemeesters, de supermarkten en het Centraal Bureau Levensmiddelenhandel in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

Inrichting

Het gaat in deze zaken om het begrip ‘inrichting’. Uit de Drank- en Horecawet volgt dat in een ‘inrichting’ tijdens openingstijden een leidinggevende aanwezig moet zijn. Volgens de burgemeesters, de supermarkten en het Centraal Bureau Levensmiddelenhandel is voldoende dat een leidinggevende in de supermarkt aanwezig is en hoeft deze niet permanent aanwezig te zijn in de slijterij zelf. Zij gaan er daarbij vanuit dat de supermarkt zelf ook deel uitmaakt van de ‘inrichting’. Maar naar het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak is dat niet het geval. Uit de wet en de wetsgeschiedenis volgt dat een “inrichting niet bestaat uit het gehele pand, waarin zowel de supermarkt als de slijterij is gevestigd, maar slechts uit de daarin gesitueerde besloten ruimten waarin het slijtersbedrijf wordt uitgeoefend”. Naast de slijterij zelf kunnen bijvoorbeeld ook een kantoor en een voorraadruimte deel uitmaken van de ‘inrichting’, maar deze ruimten moeten dan wel direct in de buurt van de slijterij liggen en direct zicht bieden op de slijterij, aldus de hoogste bestuursrechter.

Gevolg uitspraken

Het gevolg van de uitspraken is dat een leidinggevende altijd aanwezig moet zijn in de slijterij in een supermarkt of in de ruimten die daarbij horen. Daarmee wordt aan een slijterij in een supermarkt dezelfde verplichting opgelegd als aan een zelfstandige slijterij.

Hieronder staan de uitspraken vermeld:

Uitspraak Sint Oedenrode

Uitspraak Someren

Uitspraak Schijndel

 

Evaluatie Winkeltijdenwet

Op 23 december jl. heeft minister Kamp van Economische Zaken een brief gestuurd naar de Tweede Kamer met betrekking tot de uitkomsten van de evaluatie van de gewijzigde Winkeltijdenwet en de conclusies daaruit voor het beleid.

In de brief komt eerst kort de inhoud van de wet aan de orde. Vervolgens worden de belangrijkste uitkomsten van de evaluatie uiteengezet, gevolgd door de conclusies van het kabinet.

Klik hier voor de brief aan de Tweede Kamer.

Klik hier voor de evaluatie van de Winkeltijdenwet

 

FacebookTwitterGoogle+LinkedInEmail

Gemeenten besteden toezicht op Drank- en Horecawet uit

Vijfentwintig gemeenten hebben convenanten gesloten met winkels en horeca. Ze houden niet zelf toezicht op het schenken aan minderjarigen. Zij kozen voor een andere aanpak: een convenant met de lokale alcoholverkopers en met een particulier bedrijf. Dit particuliere bedrijf controleert in opdracht van de gemeente of de Drank- en Horecawet al dan niet wordt overtreden en neemt feitelijk het reguliere Drank- en Horecatoezicht van de burgemeester over. Bij naleving krijgen ondernemers hun ingelegde geld (vaak rond een bedrag van € 800,- terug. Bij overtreding houdt de gemeente (een deel) van het geld.

Binnen het reguliere toezicht zou er echter de eerste maal al een boete  van € 1.360,- worden opgelegd. Deze bedragen staan in schril contract met de paar honderd euro inleg die de ondernemer maximaal aan het convenant kwijt is.

Feitelijk ontstaat hiermee een parallel sanctiemodel met boetes die aanmerkelijk lager liggen dan de in de bijlage behorende bij het Besluit bestuurlijke boete Drank- en Horecawet vastgestelde boetes.

Een vorm van toezicht die in dit geval juist is voorbehouden aan een bestuursorgaan omdat het gaat om toezicht op de volksgezondheid, een typische kerntaak van de overheid.

Volgens de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie ECLI:NL:RVS:2003:AH8963) is het bestaan van een convenant geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan kon worden afgezien van handhaving. Dat betekent dat vervolgens dat, voor zover er een verzoek wordt ontvangen, de burgemeester niet zo maar kan afzien van handhaving, verwijzende naar dit convenant.

Meerdere juristen plaatsen derhalve serieuze kanttekeningen bij deze systematiek. Hoe verdedigbaar is uitbesteding van de leeftijdscontrole? Feit is dat niet de overheid, maar een bedrijf toezicht houdt. Henny Sackers, Nijmeegs hoogleraar bestuurlijk sanctierecht, verbaast zich over de gelijkwaardigheid die uit de convenanten spreekt. “Alcoholverkopers zitten als gelijken om de tafel met hun eigenlijke toezichthouder, de gemeente. Van zo’n gelijkwaardigheid is in de Drank- en Horecawet geen sprake.” Daarmee wordt in strijd gehandeld met de wettelijke kaders.

Roxanne Sabbé, jurist en tevens voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Drank- en Horecawet-inspecteurs, keurt de praktijk van de convenanten af.

Het bedrijf dat deze vorm van toezicht aanbiedt stelt echter dat het hier “geen toezicht betreft, het is een hulpmiddel voor bewustwording.” Dat impliceert echter dat in de deelnemende gemeenten en bij de alcoholverkopers in die gemeenten het wettelijk verplichte toezicht op het verbod tot verstrekking van alcohol aan minderjarigen is weggevallen. “Ook dat zou onrechtmatig zijn”, zegt Sabbé.

FacebookTwitterGoogle+LinkedInEmail

Noodverordeningen blijken dikwijls in strijd met toepasselijke wetgeving

Uit onderzoek door het Centrum van Openbare Orde en Veiligheid van de Rechtenfaculteit van de Rijksuniversiteit Groningen blijkt dat burgemeesters die noodmaatregelen opstellen dat regelmatig doen in strijd met toepasselijke wetgeving.

Het gevolg daarvan is dat de burgemeesters zich daarmee bevoegdheden toekennen die ze niet hadden mogen verkrijgen en dat de politie de daaraan ten grondslag liggende noodverordeningen ten onrechte handhaaft.

Ten behoeve van het genoemde onderzoek zijn 250 noodverordeningen die in de achterliggende 5 jaar zijn vastgesteld, onder de loep genomen. Daaruit is gebleken dat veel van deze noodverordeningen niet juridisch houdbaar of praktisch niet handhaafbaar zijn.

Klik hier voor meer informatie over het onderzoek van het Centrum voor Openbare Orde en Veiligheid

 

 

FacebookTwitterGoogle+LinkedInEmail

Frank Joosten stopt als auteur van het Vergunningen Informatie Systeem

Frank Joosten was tot eind 2016 auteur van een groot deel van de documentatie, informatie en overige werken, zoals voorbeeldbrieven, checklists, formulieren, hulp- en andere teksten, instructies en stappenplannen die verband houden met of geïncorporeerd zijn in het VIS. Per 1 januari 2017 is er een einde gekomen aan de desbetreffende samenwerking tussen Frank Joosten en Berkeley Bridge. Dat betekent dat vanaf die datum de redactie c.a. wordt gevoerd door andere inhoudelijke specialisten, onder leiding van Berkeley Bridge. Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Rob van de Plassche, tel. 06-53966454 of rvandeplassche@berkeleybridge.nl.

Evaluatie Drank- en Horecawet – brief 16-12-2016 van staatssecretaris Van Rijn aan Tweede Kamer

De Drank- en Horecawet (DHW) is in 2013 en 2014 ingrijpend veranderd. Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer in 2012 heeft de staatssecretaris, de heer M. van Rijn toegezegd om in 2016 de DHW te evalueren. Tevens heeft hij toegezegd om – naast de decentralisatie van bevoegdheden naar gemeenten in 2013 en de leeftijdsgrensverhoging in 2014 – ook technische eisen rondom verkoop en mengvormen van horeca en retail (‘blurring’) te betrekken bij de evaluatie. Het afgelopen jaar is de wet geëvalueerd.

Als onderdeel van de evaluatie heeft de staatssecretaris verschillende onderzoeken laten uitvoeren. De uitkomsten daarvan zijn op verschillende momenten met de Kamer gedeeld. Hieronder treft u aan het laatste onderzoek dat de staatssecretaris heeft laten uitvoeren in het kader van de evaluatie, te weten een onderzoek naar de kennis, houding en gedrag ten aanzien van de schadelijkheid van alcohol.

Naast de onderzoeken die in 2016 speciaal voor de evaluatie zijn uitgevoerd, heeft de staatssecretaris ook eerder uitgevoerde en toegezegde onderzoeken betrokken bij de evaluatie, onder meer om trends in beeld te kunnen brengen. De feiten, cijfers en trends zijn in de onderstaande brief uiteen gezet.

Daarnaast hebben er gesprekken plaatsgevonden met betrokken partijen in het veld zoals burgemeesters, GGD’en, instellingen voor verslavingszorg, artsen, alcoholverstrekkers, DHW-inspecteurs en kennisinstellingen, zoals de Academie voor bijzondere wetten en hebben de overleggen met het Regulier Overleg Alcohol (ROA) in het teken gestaan van de evaluatie.

Eerder had de staatssecretaris de Tweede Kamer laten weten dat hij voornemens was de Kamer nog dit jaar zijn voorlopige bevindingen te sturen, in plaats van de oorspronkelijk genoemde termijn van eerste kwartaal 2017.

Met de hieronder genoemde brief doet de staatssecretaris deze toezegging gestand.

Klik hier voor de brief van de staatssecretaris van 16 december 2016 gericht aan de Tweede Kamer.

Klik hier voor de uitkomsten van de onderzoeken in het kader van de evaluatie van de Drank- en Horecawet.

Klik hier voor de Beleidsverkenning Kennisniveau schadelijkheid van alcohol.

Hilversum mag afsteken van vuurwerk in het centrum met Oud & Nieuw verbieden

Het college van burgemeester en wethouders van Hilversum mag, volgens de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, een deel van het centrum aanwijzen waar rond de jaarwisseling geen consumentenvuurwerk mag worden afgestoken.

Dit blijkt uit een uitspraak van de Afdeling  van 14 december 2016.

Klik hier voor de volledige uitspraak.

FacebookTwitterGoogle+LinkedInEmail

Verbod op drug 4-Fluoramfetamine

De drug 4-fluoramfetamine (4-FA) wordt verboden. De drug die in de vorm van een pil, capsule of poeder te verkrijgen is, kan leiden tot  ernstige hoofdpijnen  en schade aan de hart- en bloedvaten. Gebruik leidt in sommige gevallen zelfs tot een hersenbloeding. Dat schrijven staatssecretaris Martin van Rijn (VWS) en minister Ard van der Steur (VenJ) op 7 december jl. aan de Tweede Kamer. Het verbod zal op 1 april 2017 van kracht zijn.

Met het verbod nemen de bewindspersonen het advies van de Coördinatiecommissie Assessment en Monitoring nieuwe drugs  (CAM) over om 4-FA op Lijst I  (harddrugs) van de Opiumwet te plaatsen. Daarmee wordt de productie, handel en verkoop van dit middel verboden. De commissie constateert dat het gebruik van de drug vooral in het uitgaansleven aan populariteit wint en makkelijk te verkrijgen is. “Een zorgelijk signaal”, aldus staatssecretaris Van Rijn. “Ik maak me grote zorgen over het drugsgebruik onder jongeren en jongvolwassenen die vaak uitgaan. Een ‘pilletje’ nemen op een festival of feest is nooit normaal. Veilig drugsgebruik is een mythe”.

Klik hier voor de brief van de minister aan de Tweede Kamer.

Evaluatie Wet regulering prostitutie en bestrijding misstanden seksbranche

Op 17 oktober jl. heeft de minister van V&J een brief gestuurd aan de Tweede Kamer over de uitvoering van de toezegging in de brief van 24 oktober 2013 (Kamerstuk 28 638, nr. 105) over te verrichten onderzoeken met betrekking tot de aard en omvang van de prostitutiebranche. In die brief is aangegeven in de opeenvolgende jaren na de nulmeting Wetsvoorstel regulering prostitutie en bestrijding misstanden seksbranche (Wrp) jaarlijks verdiepende themaonderzoeken over de prostitutiebranche te verrichten. Hierbij ontvangt u het onderzoeksrapport van het eerste themaonderzoek getiteld «de escortbranche: toezicht, handhaving en naleving»1. Voor dit onderwerp is gekozen wegens de landelijk uniforme vergunningplicht die gaat gelden voor escortbedrijven na inwerkingtreding van de Wrp.

Het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) heeft Pro Facto en INTRAVAL de opdracht gegeven dit onderzoek uit te voeren.

Het doel van het onderzoek is kennis te genereren over de manier waarop gemeenten de naleving van regels binnen de escortbranche kunnen bevorderen en hoe zij toezicht en handhaving vorm kunnen geven. Hiervoor hebben de onderzoekers een document- en literatuurstudie verricht. Daarnaast is veel aandacht besteed aan het onderzoeken van de lokale situaties binnen tien gemeenten door interviews af te nemen bij medewerkers van politie en gemeenten, prostitutiecontroleteams, gecontroleerde escorts en exploitanten. Ook op landelijk niveau zijn belangenbehartigers en personen van betrokken organisaties gesproken. Vervolgens is inzichtelijke gemaakt op welke manier regelnaleving in deze sector werkt.

Klik hier voor de genoemde brief en de conclusies van het onderzoek.

19e Informatiebijeenkomst Bijzondere Wetten – dinsdag 1 november 2016 te Utrecht

Op dinsdag 1 november 2016 vindt in Utrecht, locatie Domstad, Koningsbergerstraat 9, alweer de 19e Informatiebijeenkomst Bijzondere Wetten plaats.

Graag verwelkomen wij u weer tijdens deze bijeenkomst.

U vindt hier nadere informatie over het programma. Tevens kunt u zich hier aanmelden.

FacebookTwitterGoogle+LinkedInEmail