zoeken

F.A.Q.

Veelgestelde vragen over horecarecht

 

Op deze pagina vindt u de “Frequently Asked Questions”. Mogelijk vindt u hier het antwoord op uw vraag.

Klik hieronder op het onderwerp naar uw keuze:

Vraag

Er is onduidelijkheid over het volgende.

Een ondernemer van een streekproductenwinkel die streekwijnen verkoopt wil tijdens de feestelijke heropening van het vernieuwde centrum een proeverij organiseren. de meningen zijn verdeeld. Volgens ons kan dit niet en is dit recht alleen voorbehouden aan een slijter. En is dit ook niet met artikel 35 voor de streekwinkeleigenaar op te lossen ook niet als je het los ziet van de winkel maar het als evenement in behandeling neemt.

Anderen zeggen daar en tegen dat het wel zou kunnen dat meneer tijdens deze happening voor zijn zaak laat proeven als hij dan daar maar geen wijn gaat verkopen.

Hoe zit dat nou?

 

Antwoord

Als eerste moet worden bezien of deze streekproductenwinkel wel een winkel is zoals bedoeld in artikel 18, lid 2 onder a DHW. Voornoemd artikellid gaat over een winkel waarin in overwegende mate levensmiddelen of tabak en aanverwante artikelen of uitsluitend zwak-alcoholhoudende dranken al dan niet tezamen met alcoholvrije dranken worden verkocht.

Als het een winkel is zoals bedoeld in artikel 18, lid 2 onder a DHW, dan mag de verkoop van zwak-alcoholhoudende dranken voor gebruik elders dan ter plaatse alleen plaatsvinden in de winkel. Let in dat kader vooral op het woordje “in” in de aanhef van artikel 18, lid 2. Dat betekent dat er geen verkoop van zwak-alcoholhoudende dranken mag plaatshebben voor gebruik elders dan ter plaatse (dus detailhandel) buiten de winkel, bijvoorbeeld vanaf een marktkraam.

Het laten proeven van zwak-alcoholhoudende streekwijnen voor gebruik ter plaatse kan via een artikel 35-ontheffing, voor zover de burgemeester dat kwalificeert als een bijzondere gelegenheid van tijdelijke aard. Een feestelijke heropening van het vernieuwde centrum kan best gekwalificeerd worden als een bijzondere gelegenheid van tijdelijke aard. Met genoemde ontheffing kan alsdan buiten zwak-alcoholhoudende drank worden verstrekt voor gebruik ter plaatse (dus geen verkoop voor gebruik elders dan ter plaatse want dat is detailhandel).

Degene onder wiens onmiddellijke leiding zwak-alcoholhoudende drank wordt verstrekt moet daarbij uiteraard wel voldoen aan de in artikel 35 bedoelde eisen (mogelijk aangevuld met gemeentelijke eisen zoals bijvoorbeeld het bezit van het diploma sociale hygiene).

In een slijterij (maar dat is hier nu niet van toepassing) mogen inderdaad onder bepaalde voorwaarden alcoholhoudende dranken worden verstrekt voor gebruik ter plaatse (dat is eigenlijk in het kader van een directe aankoopbeslissing door de klant). Dat is toegestaan o.g.v. artikel 13, lid 2 DHW. In dat artikel staan ook de betreffende voorwaarden vermeld waaronder deze verstrekking mogelijk is.

Proeven in een artikel 18-winkel is verboden. Als daar alcoholhoudende dranken worden verstrekt voor gebruik ter plaatse, dan betreft dat de uitoefening van het horecabedrijf en daarvoor is o.g.v. artikel 3 DHW een dh-vergunning nodig. Die vergunning kan niet worden verleend omdat in een ruimte waar alcoholhoudende drank wordt verstrekt voor gebruik ter plaatse geen alcoholhoudende dranken mogen worden verstrekt voor gebruik elders dan ter plaatse. Dat laatste is nl. een detailhandelsactiviteit en dat is o.g.v. artikel 14, lid 2 DHW verboden in een horecalokaliteit en dat levert weer een weigeringsgrond op.

Vraag

Tijdens een evenement heeft de gemeente een aantal straten en pleinen een evenement vergunning verleend. Daarbij tevens artikel 35 van de Drank- en Horecawet.

Nu wil een ondernemer vanuit zijn caravan (kiosk) behalve versnaperingen ook blikjes bier verkopen. (hij heeft geen SVH). De organisatie van het evenement heeft daar geen probleem mee. Hij staat op het evenement terrein.

  1. Mag dit op het evenement terrein wel of mag dit gewoon niet;
  2. indien wel, kan dit onder uitbreiding (toevoeging) van het artikel 35;
  3. of moet hij hiervoor zelf een artikel 35 vergunning aanvragen?

Antwoord

Je moet even een onderscheid maken tussen de verkoop van zwak-alcoholhoudende dranken vanuit deze kiosk in gesloten verpakking en geopende verpakking, bijvoorbeeld een tapbiertje.

Verkoop zwak-alcoholhoudende dranken in gesloten verpakking voor gebruik elders dan ter plaatse.

In dat geval is er geen sprake van alcoholverstrekking voor gebruik ter plaatse, maar van elders dan ter plaatse. Er is dan aldus sprake van een detailhandelsactiviteit.

De verstrekking van zwak-alcoholhoudende dranken voor gebruik elders dan ter plaatse mag volgens artikel 18, lid 1 Drank- en Horecawet alleen plaatsvinden in een slijterij. Van dit verbod wordt in het tweede lid van artikel 18 uitzondering gemaakt voor een bepaald soort winkels (zie artikel 18, lid 2 aanhef onder a, b en c DHW).

Echter, er is hier geen sprake van een winkel en er wordt ook niet verstrekt in een winkel. Voor de definitie van een “winkel” kun je aansluiten bij het bepaalde in artikel 1 van de Winkeltijdenwet. Daarin is beschreven dat een winkel een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte is, waarin goederen aan particulieren plegen te worden verkocht.

Omdat dat bij een kiosk niet het geval is, geldt het bepaalde in artikel 18, lid 1 DHW. Dus mag alleen zwak-alcoholhoudende drank worden verkocht in een slijterij en niet op een evenemententerrein zoals hier beschreven.

Verkoop zwak-alcoholhoudende dranken in geopende verpakking, bijvoorbeeld via de tap voor gebruik ter plaatse

Verkoop zwak-alcoholhoudende dranken in geopende verpakking, bijvoorbeeld via de tap voor gebruik ter plaatse, verstrekt vanuit deze kiosk zou kunnen. De kiosk wordt dan feitelijk een tappunt op het evenemententerrein. Het is dan wel nodig dat daarvoor een artikel 35 DHW-ontheffing is aangevraagd en verleend. Dat kan door de organisator van het evenement worden aangevraagd, maar dan moet het betreffende tappunt wel worden aangegeven op de aanvraag en diegene onder wiens verantwoordelijkheid alcohol wordt verstrekt moet voldoen aan de eisen zoals genoemd in artikel 35 (21 jaar, van goed levensgedrag en mogelijk, als de burgemeester dat heeft opgelegd in de ontheffing of in het betreffende beleid, in het bezit zijn van het diploma sociale hygiene). De ontheffing kan ook worden aangevraagd door de ondernemer zelf. Daar gelden dan dezelfde eisen voor.

Vraag

Is een mechanische ventilatie ook verplicht in een clubhuis bijvoorbeeld van een voetbalvereniging?

Antwoord

Een mechanische ventilatie-inrichting is verplicht in elk horecalokaal zoals bedoeld in artikel 1, lid 1 DHW, of dat nou een voetbalkantine is, een discotheek, een bruin café of een hotel, en moet voldoen aan de eisen zoals gesteld in artikel 5 van het Besluit eisen inrichtingen DHW.

 

Vraag

Welke boetes kun je een horecabedrijf opleggen of uitschrijven als deze geen drank- en horecavergunning heeft. Is het ook strafrechtelijk mogelijk?

Antwoord

Dat hangt een beetje af van wat de gemeente zelf in het betreffende handhavingsstappenplan heeft opgenomen. Daar moet je als eerst in kijken. Vaak vindt je daarin terug dat, na een eerste indringende waarschuwing, de volgende sancties kunnen worden opgelegd:

  • last onder dwangsom
  • bestuurlijke boete
  • bestuursdwang (in beslag nemen alcoholhoudende dranken of soms zelfs sluiting van het bedrijf)
  • strafrechtelijk optreden mbt de Drank- en Horecawet kan wel (dat vindt dan plaats via de Wet op de economische delicten), maar de regering wilde juist met de nieuwe DHW dat overtredingen bestuursrechtelijk zouden worden afgedaan. Maar de BOA en politie heeft daarin uiteraard ook een eigen bevoegdheid (natuurlijk wel in overleg met de burgemeester en in overeenstemming met genoemd handhavingsplan).

Vraag

Situatie: uitbaatster en tevens leidinggevende is onder invloed in haar eigen inrichting. De politie heeft geconstateerd dat zij onvast ter been was en sprak met dubbele tong. Uitbaatster geeft zelf aan dat zij in privé tijd, na het werk, aanwezig was in haar eigen gelegenheid.

Maakt de wet onderscheid in het wel of niet privé aanwezig zijn in de eigen inrichting door de uitbaatster en tevens leidinggevende op het moment dat er sprake is van onder invloed zijn?

Antwoord

De Drank- en Horecawet maakt geen onderscheid in het wel of niet privé aanwezig zijn in de eigen inrichting in kennelijke staat van dronkenschap.

In artikel 20, lid 6 van de Drank- en Horecawet staat echter wel vermeld dat het is verboden in kennelijke staat van dronkenschap of kennelijk onder invloed van andere psychotrope stoffen dienst te doen in een slijtlokaliteit of horecalokaliteit.

Zo verbiedt de Drank- en Horecawet niet alleen het in een inrichting toestaan van de aanwezigheid van personen in kennelijke staat van dronkenschap en personen onder invloed van drugs (artikel 20, lid 5 DHW), maar sinds 1 januari 2013 geldt voor de leidinggevende zélf en/of het dienstdoend personeel ook een vergelijkbaar verbod.

Een dronken verstrekker (of een verstrekker onder invloed van drugs) straalt minder gezag uit en zal ook bij incidenten minder in staat zijn adequaat op te treden, wat kan leiden tot openbare orde problemen. Bovendien zal hij minder geneigd zijn zich te houden aan de regels gericht op verantwoorde verstrekking. Uitbreiding van het betreffende verbod is ook zinvol geacht omdat door overmatig drankgebruik de beheersing vaak verdwijnt, hetgeen kan leiden tot agressie, bijvoorbeeld richting handhavers.

Zoals u aangeeft was de uitbaatster niet in dienst tijdens de constatering dat zij in kennelijke staat van dronkenschap verkeerde. Artikel 20, lid 6 DHW wordt derhalve niet overtreden.

Echter, een ondernemer die alcoholhoudende drank verstrekt heeft een bijzondere verantwoordelijkheid. Klanten weten niet of de uitbaatster wel of niet in dienst is. Bij incidenten zal ze toch, mogelijk tezamen met dienstdoend personeel (moeten) optreden. Ook buiten dienst heeft deze ondernemer in het horecabedrijf een voorbeeldfunctie voor bezoekers van dat horecabedrijf.

Dat betekent naar analogie van de uitspraken van de rechtbank Arnhem van 3 juli 2008 (ECLI:NL:RBARN:2008:BE8740) en de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 april 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BQ2681) dat de uitbaatster op grond van de inhoud van het rapport van bevindingen van de politie en de daarin beschreven feiten en gedragingen in onderlinge samenhang bezien van een dusdanig gewicht en ernst kan zijn dat de burgemeester op grond daarvan mogelijk in redelijkheid tot het oordeel kan komen dat de uitbaatster (die voor dergelijke gedragingen mogelijk al meerdere malen (schriftelijk) is gewaarschuwd door de politie, gemeentelijke toezichthouders of burgemeester) niet meer voldoet aan de eis niet in enig opzicht van slecht levensgedrag te zijn. Dat moet dan op grond van het bepaalde in artikel 31, lid 1 aanhef onder b juncto artikel 8, lid 1 aanhef onder b DHW leiden tot intrekking van de drank- en horecavergunning.

Vraag

Ik heb een vraag m.b.t. het slijten/ verkopen van alcohol (sterk/zwak) vanuit een voertuig. Een lokale slijterij heeft het plan opgevat om met een busje bejaardenhuizen langs te gaan om daar vanuit een busje alcohol te verkopen. Volgens mij kan dit niet zomaar en heeft deze verkoopwijze raakvlakken met art. 18, art. 12 en art. 25 van de DHW. Zou u mij hierover meer kunnen vertellen?

Antwoord

Verkoop van sterke dranken

Het uitoefenen van het slijtersbedrijf betreft volgens artikel 1, lid 1 van de Drank- en Horecawet de activiteit bestaande uit het bedrijfsmatig of anders dan om niet aan particulieren verstrekken van sterke drank voor gebruik elders dan ter plaatse, al dan niet gepaard gaande met het bedrijfsmatig of anders dan om niet aan particulieren verstrekken van zwak-alcoholhoudende en alcoholvrije drank voor gebruik elders dan ter plaatse of met het bedrijfsmatig verrichten van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen andere handelingen.

In artikel 3 DHW staat vermeld dat het is verboden om zonder daartoe strekkende vergunning van de burgemeester het horecabedrijf of slijtersbedrijf uit te oefenen.

In artikel 7 van de Drank- en Horecawet staat vervolgens vermeld dat een vergunning is vereist voor iedere inrichting en (lid 2) dat geen vergunning wordt verleend voor het uitoefenen van het horecabedrijf of slijtersbedrijf anders dan in een inrichting.

In artikel 1, lid 2 DHW staat vermeld dat onder een inrichting niet wordt verstaan een vervoermiddel voor het rondtrekkend uitoefenen van een bedrijf.

Het uitoefenen van het slijtersbedrijf in een dergelijke busje is aldus niet toegestaan.

Artikel 25, lid 3 aanhef onder a DHW vermeldt dat het degene die een vervoermiddel gebruikt voor het rondtrekkend uitoefenen van de kleinhandel verboden is daarin, daarop of daaraan alcoholhoudende drank aanwezig te hebben, tenzij het betreft een vervoermiddel dat wordt gebruikt voor het rechtmatig aan particulieren afleveren van alcoholhoudende drank (dus zwak-alcoholhoudende drank en sterke drank) op bestelling (zie ook artikel 19, lid 1 DHW). Deze drank mag aldus worden afgeleverd (nadat het eerder is besteld).

Deze situatie zoals beschreven in laatstgenoemd artikel doet zich echter niet voor.

Op het moment dat sterke dranken worden verkocht in of vanuit het betreffende busje, dan geschiedt dit derhalve niet in de rechtmatige uitoefening van het slijtersbedrijf.

Volgens artikel 25, lid 1 onder a DHW is het degene die, anders dan (in dit geval) in de rechtmatige uitoefening van het slijtersbedrijf (de slijtersvergunning die betrokkene is verleend geldt nl. niet voor deze situatie, maar alleen voor de locatie zoals vermeld in de drank- en horecavergunning), een ruimte voor het publiek geopend houdt, verboden in die ruimte alcoholhoudende drank aanwezig te hebben.

Verkoop van zwak-alcoholhoudende dranken

Volgens artikel 18, lid 1 DHW is het verboden in de uitoefening van een ander bedrijf dan het slijtersbedrijf zwak-alcoholhoudende drank voor gebruik elders dan ter plaatse aan particulieren te verstrekken.

Zoals hiervoor vermeld moet voor het uitoefenen van het slijtersbedrijf een drank- en horecavergunning zijn afgegeven.

Echter, een aantal bedrijven mag, zonder deze vergunning, toch zwak-alcoholhoudende drank verkopen. Dat is nader uitgewerkt in artikel 18, lid 2 DHW. In de aanhef van dat artikellid staat vermeld dat het in het eerste lid vervatte verbod niet geldt ten aanzien van het verstrekken in bepaalde nader omschreven bedrijven. De verkoop vanuit meergenoemd bestelbusje vindt echter niet plaats in een in artikel 18, lid 2 DHW beschreven winkel maar buiten in of vanuit een bestelbusje en voldoet derhalve niet aan deze vereisten. Daardoor zijn de uitzonderingsbepalingen van het tweede lid van artikel 18 niet van toepassing en geldt het eerste lid. En dat betekent dat alleen zwak-alcoholhoudende drank mag worden verkocht in een slijterij (met dh-vergunning).

Deze zwak-alcoholhoudende drank mag wel op bestelling aan huizen van particulieren worden afgeleverd volgens artikel 19, lid 2 DHW. Het lijkt er echter op dat, zoals hiervoor ook al aangegeven, hier geen sprake is van eerder bestelde dranken, maar spontane verkoop ter plaatse. En dat is zoals hiervoor uiteengezet aldus verboden.

 

Vraag

Welke boetes kun je een horecabedrijf opleggen of uitschrijven als deze geen DHW vergunning heeft. Is het ook strafrechtelijk mogelijk?

Antwoord

Dat hangt een beetje af van wat de gemeente zelf in het betreffende handhavingsstappenplan heeft opgenomen. Daar moet je als eerste in kijken. Vaak vindt je daarin terug dat, na een eerste indringende waarschuwing, de volgende sancties kunnen worden opgelegd:

  • last onder dwangsom, of
  • bestuurlijke boete (zie artikel 44a DHW en de bijlage bij het Besluit bestuurlijke boete DHW)
  • bestuursdwang (in beslag nemen alcoholhoudende dranken of soms zelfs sluiting van het bedrijf)
  • strafrechtelijk optreden m.b.t. de Drank- en Horecawet kan wel (dat vindt dan plaats via de Wet op de economische delicten), maar de regering wilde juist met de nieuwe DHW dat overtredingen bestuursrechtelijk zouden worden afgedaan (met uitzondering van artikel 20, lid 5 en 6, artikel 21 en 45 DHW).

Vraag

Geldt de uitleg van sterke drank, zoals bedoeld in artikel 19, lid 1 Drank- en Horecawet ook voor zwak-alcoholhoudende drank?

Met andere woorden: mag een voetbalclub op hun veld of hun parkeerplaats (in ieder geval niet een deel dat al op een bestaande DHW-vergunning staat) een borrel organiseren waar ze een cateraar bier/wijn laten schenken? De borrel is besloten en is incidenteel

Antwoord

Wie het meerdere mag, mag ook het mindere, dus een cateringbedrijf dat een bedrijf uitoefent zoals in dit geval bedoelt in artikel 19, lid 1 DHW, mag ook zwak-alcoholhoudende drank verstrekken voor gebruik ter plaatse.

Echter, in de door jou beschreven situatie is geen sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 19, lid 1 DHW omdat het sowieso de vraag is of er sprake is van beslotenheid, maar bovendien gaat het bij artikel 19 om het  gelegenheid te bieden tot het doen van bestellingen en/of afleveren van alcoholhoudende dranken aan huizen van particulieren. Daarvan is in jouw casus geen sprake. Dat betekent dat het bepaalde in artikel 19 DHW niet van toepassing is.

Dat betekent dan vervolgens dat er geen alcoholhoudende dranken mogen worden verstrekt, ook niet vanuit een horecalokaal zoals vermeld op de al verleende drank- en horecavergunning. Gebeurt dat wel, dan wordt het bepaalde in artikel 13, lid 1 DHW overtreden.

De enige manier is om, voor zover je dit kunt kwalificeren als een bijzondere gelegenheid van bijzondere aard, hiervoor een ontheffing te verlenen zoals bedoeld in artikel 35 DHW. Dat betekent dan wel dat de alcoholverstrekking moet zijn beperkt tot het verstrekken van zwak-alcoholhoudende drank.

Vraag

Bij ons is er discussie over het rijden met een bierfiets. Volgens Drank- en Horecawet is het een middel van vervoer. Met de nodige regels van rijden en niet schenken onder 18 jaar. Verder is bij ons in de gemeente, in het centrum, een alcoholverbod ingesteld. Is een bierfiets toegestaan op de openbare weg?

Antwoord

De bierfiets valt inderdaad onder het bepaalde in artikel 1, lid 3 aanhef onder a van de Drank- en Horecawet voor zover het wordt gebruikt voor het vervoer van personen en tijdens het gebruik als zodanig.

Vele gemeenten ondervinden vormen van overlast van de zogenaamde bierfietsen en onderzoeken op welke manier hiertegen kan worden opgetreden, met name vanuit het oogpunt van handhaving op het gebied van verkeersveiligheid en alcoholoverlast.

De bierfiets is een lastig fenomeen. Op 6 augustus 2010 heeft de Kantonrechter Amsterdam in een strafzaak geoordeeld dat de zogenaamde bierfiets niet langer zonder ontheffing mag worden gebruikt. Dit komt niet door een beperking in de drank- en horecawetgeving, maar omdat bij het gebruik van bierfietsen niet wordt voldaan aan de Regeling Voertuigen.

De kantonrechter bestempelde de bierfiets als een fiets in de zin van de Regeling Voertuigen. Omdat een fiets op meer dan twee wielen volgens die regeling (zie artikel 5.9.6, lid 2) niet breder mag zijn dan 1,50 meter, voldoet de bierfiets niet aan de wettelijke vereisten. Aan dit oordeel ging discussie vooraf omdat de wet wel het begrip ‘wagen’ definieert, maar niet het begrip ‘fiets’. Volgens de kantonrechter is het kenmerk van een fiets dat deze door trapkracht wordt voortbewogen. Zoals de naam ook aangeeft, is dat met de bierfiets het geval. Dat betekent in feite dat naar het oordeel van de kantonrechter iedere bierfiets zodra deze breder is dan 1,50 meter niet de weg op mag.

Voorts is uiteraard de wegenverkeerswetgeving van toepassing. De bestuurder mag dus geen alcoholhoudende drank nuttigen (art. 8 WVW 1994). Wanneer een gemeente voor een bepaald gebied een alcoholverbod instelt (op grond van de APV), is het in dat gebied verboden om alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flessen, glazen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. De bierfiets mag in dat geval niet in dat gebied komen (althans ervan uitgaande dat er alcoholhoudende drank wordt verstrekt op deze fiets). De politie kan daarop toezien. Uiteraard mag geen bier worden verstrekt onder de leeftijd van achttien jaar.

 

Vraag

Er is een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend voor brandveilig gebruik en afwijking van het bestemmingsplan voor het starten van een buitenschoolse opvang bij een voetbalverenging. Op zich kunnen deze omgevingsvergunningen gewoon afgehandeld worden. Maar ik vroeg mij wel af hoe dat zit met de drank- en horecavergunning. De voetbalvereniging is een paracommerciële instelling en heeft een bestuursreglement. Hierin hebben zij nagedacht over de schenktijden bij bijvoorbeeld bijzondere evenementen/wedstrijden en de maatregelen die het bestuur treft om te voorkomen dat alcohol wordt verstrekt ten tijde van jeugdactiviteiten en jeugdwedstrijden op het terrein of in het gebouw.

De BSO zal onder andere plaatsvinden in de kantine, maar ook buiten. In de kantine staat een bar met tap. Tijdens de opvang zal er geen alcohol geschonken worden. Toch lijkt het mij uit pedagogisch oogpunt niet verantwoord om hier verder niets aan te doen. De kinderen zijn wel in de aanwezigheid van de tap en worden hier dus wel mee geconfronteerd.

Kunnen/moeten wij als gemeente hier iets mee en is hier een juridische grondslag voor? Stel nou dat de volgende aanvraag ziet op een kinderopvang bij een kroeg?

Antwoord

Het aanbieden van kinderopvang kan worden gekwalificeerd als het bedrijfsmatig aanbieden (met of zonder winstoogmerk) van een dienst.

Het aanbieden van een dergelijke dienst in een horecalokaal, vermeld in een drank- en horecavergunning, verleend aan de sportvereniging, is in strijd met het bepaalde in artikel 14, lid 3 onder b Drank- en Horecawet en kan dus niet. Er kan geen ontheffing worden verleend.

De enige manier om de kinderopvang aldaar te realiseren in het horecabedrijf van de voetbalvereniging is om dat te doen in een ruimte in het gebouw die niet als horecalokaal op de betreffende drank- en horecavergunning staat vermeld. Daarbij geldt dan tevens het bepaalde in artikel 15, lid 1 DHW. Het publiek mag dus niet uitsluitend de ruimte van de kinderopvang kunnen betreden door eerst het betreffende horecalokaal te betreden. Er moet ook een andere, directe toegang zijn om, buiten het horecalokaal om, direct de kinderopvangruimte te betreden. Dat betreft in dit kader echter zeker geen optimale situatie.

Voor zover er een situatie bestaat dat feitelijk de voetbalvereniging huurinkomsten genereert door deze constructie, dan doen zij feitelijk iets dat niet toebehoort aan hun “core-business”, nl. het organiseren van voetbalwedstrijden c.a.. De voetbalvereniging is dan deels zaalverhuurder en dat zal mogelijk in strijd zijn met de vastgestelde paracommerciële verordening en het bestemmingsplan.

Mogelijk beschikt de voetbalvereniging, als dat is geregeld in de APV, over een horeca-exploitatievergunning. De openingstijden van dit horecadeel staan vermeld in de APV of, als de burgemeester andere tijden wenst vast te stellen in afwijking van de APV, als voorschrift in de vergunning.

Bij vestiging van de BSO in de kantine van de voetbalvereniging wordt het horecabedrijf mogelijk geopend op andere tijden dan in de APV vermeld en dat levert een strijdigheid op met de APV (of de vergunningsvoorschriften).

Voorts staat gewoonlijk in de horeca-exploitatievergunning vermeld voor welke exploitatievorm de vergunning is verleend (in dit geval mogelijk “exploitatie kantine voetbalvereniging). Onderverhuur aan een BSO levert dan strijdigheid op met de verleende exploitatievergunning).

Voorts zal de voetbalvereniging mogelijk gebruik maken van de fiscale “kantineregeling” van de belastingdienst. Dat betekent dat ze over een deel van de kantine-omzet geen btw hoeven af te dragen en vrijgesteld zijn van vennootschapsbelasting. Dat geldt echter alleen voor zover ze inkomsten genereren uit deze core-business. Gaat de vereniging ook andere activiteiten ondernemen zoals zaalverhuur, dan komt deze kantineregeling te vervallen. Dat zal denk ik behoorlijk nadelig werken voor de vereniging.

Tevens moet deze gewijzigde bedrijfsvoering van de voetbalvereniging (v.z.v. er sprake is van zaalverhuur)  worden gemeld aan de Brandweer (o.g.v. het Bouwbesluit 2012) en de milieudienst (o.g.v. het Activiteitenbesluit).

Ook zal de GGD (vanwege de vestiging van de BSO) om advies moeten worden gevraagd.

Vraag

Mag een bingo ook georganiseerd worden door een stichting?

Antwoord

Volgens artikel 7d van de wet wordt als klein kansspel aangemerkt het kienspel (bingo), vogelpiekspel, rad van avontuur en vergelijkbare, bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen vormen van kansspel.

Bingo is een klein kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de kansspelen. Er moet aan vier voorwaarden worden voldaan wil er sprake zijn van een bingo.

  1. Een bingo kan uitsluitend worden georganiseerd door een Nederlandse vereniging die ten minste drie jaar bestaat.
  2. Deze vereniging heeft een krachtens de statuten duidelijk omschreven doel, niet zijnde de organisatie van kansspelen.
  3. De bingo moet georganiseerd worden ten bate van het algemeen belang en het doel mag niet in strijd zijn met het algemeen belang.
  4. De prijzen of premies in geld of goederen, die door de deelnemers aan het spel kunnen worden verkregen mogen per spelronde/serie of set niet meer bedragen dan € 400,– en de gezamenlijke waarde daarvan mag niet meer bedragen dan € 1.550,- per bijeenkomst.

Alhoewel in artikel 7d van de Wok staat vermeld dat alleen een vereniging mag organiseren, blijkt uit een uitspraak van de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State van 15 april 1986 (AB 1986/457) dat ook een stichting bingo’s mag organiseren. Een stichting, zo stelt de Afdeling, onderscheidt zich materieel weinig of niet van een vereniging, voor zover wel wordt voldaan aan het overige bepaalde in genoemd artikel 7d.

Het organiseren van een bingo is niet aan een vergunning gebonden. Wel moet de bingobijeenkomst uiterlijk veertien dagen van tevoren worden aangemeld bij de gemeente. De gemeente heeft de bevoegdheid om voorschriften voor zo’n bijeenkomst vast te stellen. Die worden dan opgenomen in een beleidsdocument of in een gemeentelijke verordening. Voorbeelden van voorschriften zijn regels ten aanzien van de wijze van het schriftelijk afleggen van de financiële verantwoording.

 

Vraag

Wij zijn benaderd door een dame die een pand in onze gemeente wil kopen. Zij wil daar enkele tafels plaatsen waar men een wijntje kan nuttigen met wat hapjes.

Ook wil zij wijnen verkopen (ook sterker dan 15 procent). Wij vinden dit lastig omdat het voor ons niet duidelijk is of zij een drank- en horecavergunning nodig heeft voor een horecabedrijf of slijterijbedrijf.

In een slijterijbedrijf is desgewenst proeven mogelijk na de wetswijziging. Het gaat hier dus niet om proeven maar om nuttigen van een glas wijn. Ze wil het pand splitsen in een voorpand (wijnrestaurant) en daarachter een soort proeflokaal met opslag.

Onze vraag is nu of deze voorgestelde optie mogelijk is volgens de drank- en horecawet.

Antwoord

Voor het bedrijfsmatig verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse (horecabedrijf) en ook voor het bedrijfsmatig verstrekken van sterke dranken aan particulieren voor gebruik elders dan ter plaatse (slijtersbedrijf) is op grond van artikel 3 van de Drank- en Horecawet een vergunning benodigd. Dat betekent dat moet worden voldaan aan de eisen in artikel 8 (moraliteit en kennis en inzicht in sociale hygiene), artikel 10 (inrichtingseisen) en er geen andere weigeringsgronden zijn (Bibob of strijdigheid met andere artikelen uit de DHW, bijvoorbeeld in dit geval artikel 15, lid 1 DHW).

Het uitoefenen van een horecabedrijf kan niet plaatsvinden in dezelfde ruimte als waarin het slijtersbedrijf wordt uitgeoefend. Die beide lokalen moeten dus van elkaar worden gescheiden waarbij beide lokalen moeten voldoen aan de eisen zoals gesteld in het Besluit eisen inrichtingen DHW. Voorts moet zijn voldaan aan het gestelde in artikel 15, lid 1 DHW. Dat betekent dat een bezoeker van het slijtersbedrijf niet eerst door een horecalokaal moet gaan om bij het slijtersbedrijf te komen, tenzij er ook nog een andere mogelijkheid is waarbij de bezoeker rechtstreeks de slijtlokaliteit betreedt (dus zonder eerst het horecalokaal te betreden).

De uitoefening van het slijtersbedrijf betreft “detailhandel”, de uitoefening van het horecabedrijf betreft uiteraard “horeca”. Het is de vraag of het vigerende bestemmingsplan beide functies ter plaatse wel toelaat. Voorts moet de brandweer in het kader van brandveiligheid deze aspecten goed beoordelen en moet in het kader van het Activiteitenbesluit beide bedrijfsvoeringen worden gemeld bij de milieudienst. Mogelijk moeten er voor eventuele verbouwingen nog omgevingsvergunningen worden aangevraagd. Dat moet dan, gelet op artikel 33 onder a Drank- en Horecawet, eerst gebeuren. Voor zover er sprake is van een rijksmonument in zin van de Monumentenwet 1988 gelden, t.a.v. de drank- en horecavergunning, de uitzonderingsbepalingen van artikel 4a en 5, lid 2 van het Besluit eisen inrichtingen DHW.

Wanneer ter plaatse een horecabedrijf wordt geëxploiteerd (met drank- en horecavergunning), dan mag er op grond van artikel 14, lid 2 DHW geen detailhandel worden uitgeoefend in het horecalokaal. Dat betekent dat de ondernemer in het horecalokaal geen dichte flessen alcoholhoudende dranken mag verkopen voor gebruik elders dan ter plaatse. Dat zal dan moeten plaatsvinden in een ruimte in het horecabedrijf die niet als “horecalokaal” staat vermeld op de drank- en horecavergunning. En ook daarvoor geldt de afscheidingswijze zoals omschreven in artikel 15, lid 1 DHW. Voorts moet deze winkel voldoen aan de vereiste van artikel 18, lid 2 onder a DHW en moet het dus gaan om een een winkel waarin in overwegende mate levensmiddelen of tabak en aanverwante artikelen of uitsluitend zwak-alcoholhoudende dranken al dan niet tezamen met alcoholvrije dranken worden verkocht.

En ook hierbij moet worden onderzocht of dit wel past binnen het gebruik volgens het vigerende bestemmingsplan en moet de brandveiligheid en de milieutechnische zaken worden onderzocht. Het plaatsen van een afscheiding tussen het horecalokaal en het winkelgedeelte geschiedt vaak door plaatsing van een hekje van 1,25 meter hoog. Dat is leuk, maar komt vaak de brandveiligheid (blokkering vluchtroutes/nooduitgangen) niet ten goede. Overleg dat dus goed met de ondernemer en de brandweer.

Vraag

In de Drank- en Horecawet staat vermeld dat de kleinhandel, met uitzondering van condooms en damesverband, in een horecalokaliteit niet is toegestaan.

Nu constateer ik tijdens een controle in een horecabedrijf dat in deze horecalokaliteit een sigarettenautomaat aanwezig is. Is dit toegestaan?

Antwoord

Vaak tref je in horecabedrijven de situatie aan dat er, naast pakjes sigaretten, ook aanstekers e.d.  gekocht kunnen worden. De vraag is daarbij of hier nu sprake is van een vorm van detailhandel (dat op grond van het bepaalde in artikel 14, lid 2 DHW is verboden) of dat gewoonweg sprake is van een onlosmakelijke vorm van aan horeca gelieerde dienstverlening, anders dan het bedrijfsmatig aanbieden van diensten..

Het Instellingsbesluit van het (inmiddels per 1 januari 2015 vervallen) bedrijfschap Horeca en Catering kwalificeerde horecabedrijven voorheen als: ondernemingen, waarin de verstrekking van logies of van maaltijden, spijzen of dranken voor verbruik ter plaatse, gepaard gaande met dienstverlening, als bedrijf plaats heeft.

Kleinhandel kan worden omschreven als de verkoop van waren om mee te nemen. Echter, soms valt te zien dat het meenemen het dienstverleningskarakter aan een handeling niet behoeft te ontnemen. Vooropgesteld mag wel worden, dat waren bij de dienstverlening benut, niet gelden als ‘verkocht’. De scheerzeep waarmee de barbier de klant inzeept, de haarlak aangebracht door de dameskapper, de stof benut door de maatkleermaker, maken de dienstverlening niet tot ‘verkoop van goederen’.

Zo is ook het verstrekken van etenswaren om ter plaatse te nuttigen slechts uitoefening van het horecabedrijf en geen kleinhandel in andere goederen. Ook als dienstverlening wordt beschouwd het verstrekken van rookwaren, ook door middel van automaten, al wordt het desbetreffende pakje later mee naar huis genomen.

Feitelijk kan als criterium worden gehanteerd dat dit soort artikelen wordt aangewend ter onmiddellijke bevrediging ter plaatse van de behoefte van de bezoekers. Verkoop van drie sloffen sigaretten aan een Duitser in de stationsrestauratie in Venlo is echter gekwalificeerd als kleinhandel: HR 29 april 1980, NJ 1980, 445.

 

Vraag

Een slijter wil graag tijdens een braderie voor de deur van de slijterij gratis drank laten proeven. Geen aankoopverplichting. Is dit toegestaan?

Antwoord

Voor zover de burgemeester dezer braderie kwalificeert als een bijzondere gelegenheid van tijdelijke aard, kan daarvoor een artikel 35-ontheffing (Drank- en Horecawet) worden verleend. De alcoholverstrekking is dan wel beperkt tot de verstrekking voor gebruik ter plaatse van zwak-alcoholhoudende dranken. Sterke dranken voor gebruik ter plaatse mogen niet worden verstrekt!

Ook de verkoop van alcoholhoudende dranken voor gebruik elders dan ter plaatse (detailhandel) is verboden. Dat mag alleen in de slijterslokaliteit van het slijtersbedrijf.

Vraag

Wij hebben geconstateerd dat er vanaf een marktkraam flessen wijn verkocht worden. Ook werd er de (ruime) mogelijkheid geboden om te proeven. We hebben meteen gezegd dat het verkopen van flessen wijn vanuit een marktkraam o.g.v. artikel 18 DHW niet is toegestaan, ook het proeven is niet toegestaan.

Nu heeft de marktman de flessen wijn op zijn kraam neergezet als reclame en voor die flessen wijn ligt een intekenlijst voor de wijnen. Daar kun je dus de wijnen bestellen en die worden dan thuisbezorgd (marktman heeft ook internet verkoop). Is dit wel toegestaan en zo ja zijn er nog vereisten aan dat bestellen “op” de kraam?

 

Antwoord

De verkoop van zwak-alcoholhoudende dranken vanaf een marktkraam is inderdaad niet mogelijk. In artikel 18, lid 1 DHW staat vermeld dat het is verboden in de uitoefening van een ander bedrijf dan het slijtersbedrijf zwak-alcoholhoudende drank voor gebruik elders dan ter plaatse aan particulieren te verstrekken.

Dit verbod geldt niet niet ten aanzien van het verstrekken in de winkels zoals opgenomen in het tweede lid van artikel 18 (zoals bijvoorbeeld supermarkten, speciaalzaken in wijn en bier, tabakswinkels, bepaalde warenhuizen en snackbars niet zijnde een horecalokaliteit). Verkoop vanaf een marktplaats vindt niet plaats in een winkel en valt alleen al om deze reden niet onder de uitzonderingsgevallen van artikel 18, lid 2 DHW. Aldus geldt het bepaalde in artikel 18, lid 1 DHW.

De constructie waarbij de ondernemer deze flessen wijn als reclameobject plaatst op zijn marktkraam en vervolgens geïnteresseerde klanten de mogelijkheid biedt om deze wijn via een intekenlijst thuis te laten bezorgen, biedt geen uitkomst.

In artikel 19, lid 2 DHW staat vermeld dat het is verboden gelegenheid te bieden tot het doen van bestellingen voor zwak-alcoholhoudende drank en zwak-alcoholhoudende drank op bestelling af te leveren of te doen afleveren aan huizen van particulieren, anders dan vanuit:

  1. een niet voor publiek toegankelijke besloten ruimte, waarin overeenkomstige bestellingen plegen te worden aanvaard, niet zijnde een horecalokaliteit (denk bijvoorbeeld aan een magazijn, een kantoortje van de bedrijfsleider in de supermarkt, een zolderkamer van een woning van waaruit een webwinkel wordt geëxploiteerd (voor zover dat dan weer is toegestaan volgens het bestemmingsplan dat deze activiteit meestal kwalificeert als detailhandel);
  2. een ruimte als bedoeld in artikel 18, tweede lid;
  3. een inrichting waarin het slijtersbedrijf wordt uitgeoefend.

De marktkraam is geen ruimte zoals bedoeld in artikel 19, lid 2 DHW. Derhalve mag vanaf die ruimte geen gelegenheid worden geboden tot het doen van bestellingen voor zwak-alcoholhoudende drank en zwak-alcoholhoudende drank op bestelling af te leveren of te doen afleveren aan huizen van particulieren.

Vervolgens wordt een ruimte (de marktkraam en de ruimte eromheen) voor het publiek geopend gehouden waar alcoholhoudende drank aanwezig is. Volgens artikel 25, lid 1 onder a DHW is het echter degene die, anders dan in de rechtmatige uitoefening van het slijtersbedrijf of horecabedrijf, een ruimte voor het publiek geopend houdt, verboden in die ruimte alcoholhoudende drank aanwezig te hebben.

Vraag

In onze gemeente ligt (vlak bij de gemeentegrens) een terras die hoort bij een horeca-inrichting. Op het terras wordt ook drank geschonken. De horeca-inrichting ligt in de buurgemeente. Alleen het terras ligt in onze gemeente. De buurgemeente heeft in 2012 een DHW-vergunning en horecaexploitatievergunning verleend, ook voor het terras. Maar recent bleek dat het terras in onze gemeente ligt. En de buurgemeente is daarover niet bevoegd. We willen graag het terras in onze gemeente legaliseren maar kan dat wel?

En hoe kunnen we dat legaliseren? De inrichting ligt namelijk niet in onze gemeente. Maar een terras moet altijd bij een inrichting horen. Kunt u mij adviseren?

Antwoord

Vervelend dat deze situatie niet te legaliseren is, terwijl hier feitelijk sprake is van een regulier horecabedrijf waar kennelijk alleen een gemeentegrens doorheen loopt.

Vanwege die grens ontstaat de situatie dat de burgemeester van de buurgemeente niet bevoegd is het terras te betrekken bij de betreffende DH-vergunning omdat dat deel in uw gemeente  ligt en uw burgemeester geen DH-vergunning omdat de binneninrichting van het bedrijf in de buurgemeente ligt. Het verlenen van een drank- en horecavergunning voor alleen een terras is op grond van artikel 7 Drank- en Horecawet niet mogelijk.

Wellicht kunt u eens navragen bij de collegae van de gemeente Alphen-Chaam hoe een en ander aldaar is geregeld bij café Moskes. Het kleine witte café staat in België én in Nederland. De bar en de ‘privaat’ erachter staan in België, de rest van het café steekt Nederland in. Wie de voordeur verlaat, stapt op Belgische kasseien, wie via de achterdeur het pand verlaat, staat op de parkeerplaats in Nederland. Het terras zal gedeeltelijk in Nederland liggen.

Een andere optie is om deze vraag via de werkgroep Openbare Inrichtingen van de VNG uit te zetten bij andere gemeenten die voor een mogelijk vergelijkbare situatie hebben gestaan.

Vraag

In onze gemeente hebben wij een grote binnenspeeltuin. De eigenaar van deze speeltuin verhuurt zijn locatie ook voor feestjes voor grote groepen waarbij alcohol geschonken wordt.

Nu geeft hij aan dat de mensen die het feestje organiseren zelf de drank meenemen, wij hebben aangegeven dat er helemaal geen drank aanwezig mag zijn.

Daarna gaf de eigenaar aan dat als hij een cateringbedrijf inhuurt dat dit waarschijnlijk wel zou mogen.

Wij zitten hiermee even in de knoop. Is hier dan alsnog een vergunning nodig voor de locatie of geldt voor een cateraar een andere regel?

Antwoord

In de situatie dat een eigenaar van een ruimte waarin feesten worden gegeven en waarbij de bezoekers zelf hun eigen alcoholhoudende dranken meebrengen, wordt artikel 25, lid 1 onder a van de Drank- en Horecawet overtreden. In dit artikellid staat namelijk nadrukkelijk vermeld dat het degene die, anders dan in de rechtmatige uitoefening van (in dit geval) het horecabedrijf, een ruimte voor het publiek geopend houdt, verboden is om in die ruimte alcoholhoudende drank aanwezig te hebben.

Bovendien, zo stelt het tweede lid van artikel 25 Drank- en Horecawet, is het degene die, anders dan in de rechtmatige uitoefening van het horecabedrijf, een ruimte voor publiek geopend houdt, verboden toe te laten dat in die ruimte alcoholhoudende drank wordt genuttigd.

Het moet, zoals hiervoor beschreven, dan wel gaan om een ruimte die “voor het publiek geopend wordt gehouden”. In de situatie dat deze (feest)ruimte vaker wordt gebruik voor “besloten” feesten, ontstaat een situatie waarbij feitelijk een besloten feest wordt gehouden in een ruimte die voor het publiek geopend is (omdat een ieder deze ruimte zou kunnen huren). Deze redenering volgt uit de uitspraak van de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State van 14-08-1986 (AB 1987/113) en 28-12-1988 (Gemeentestem, nr. 6880).

In de situatie van verhuur van de (feest)ruimte worden beide artikelleden overtreden. Tegen overtreding daarvan kan een bestuurlijke boete worden opgelegd.

In de situatie dat een cateringbedrijf wordt ingehuurd, wordt in de betreffende ruimte bedrijfsmatig (door de cateraar) alcoholhoudende dranken verstrekt voor gebruik ter plaatse. Dat is een activiteit die in artikel 1, lid 1 van de Drank- en Horecawet wordt omschreven als het “horecabedrijf”. In artikel 3 van de DHW staat vervolgens vermeld dat het zonder daartoe strekkende vergunning van de burgemeester verboden is om het horecabedrijf uit te oefenen.

Voor zover dit cateringbedrijf aldus niet de vereiste drank- en horecavergunning bezit voor deze feestlocatie, dan geldt hetgeen hiervoor is beschreven (overtreding artikel 25, lid 1 onder a en lid 2).

Vraag

Bij een kledingwinkel in onze gemeente wordt een fles wijn meegegeven aan klanten die boven een bepaald bedrag aankopen. Een soort van relatiegeschenk dus. Is dat toegestaan?

De ondernemer zei dat het ook gebeurde bij de aankoop van een nieuwe auto, maar daarvoor geldt toch precies hetzelfde?

Antwoord

In artikel 18, lid 1 van de Drank- en Horecawet staat vermeld dat het is verboden in de uitoefening van een ander bedrijf dan het slijtersbedrijf zwak-alcoholhoudende drank voor gebruik elders dan ter plaatse aan particulieren te verstrekken.

Volgens artikel 1, lid 1 van de Drank- en horecawet wordt onder het slijtersbedrijf verstaan de activiteit bestaande uit het bedrijfsmatig of anders dan om niet aan particulieren verstrekken van sterke drank voor gebruik elders dan ter plaatse, al dan niet gepaard gaande met het bedrijfsmatig of anders dan om niet aan particulieren verstrekken van zwak-alcoholhoudende en alcoholvrije drank voor gebruik elders dan ter plaatse of met het bedrijfsmatig verrichten van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen andere handelingen.

In dit artikel wordt de term “verstrekken” van alcoholhoudende drank gebruikt. Er wordt niet gesproken over “verkopen”. Bij het verstrekken gaat het slechts om de situatie waarbij de handeling van de verstrekker van alcoholhoudende drank erop gericht is om een ander persoon deze drank te laten verkrijgen. Bij “verstrekken” moet er dus sprake zijn van een “fysieke” handeling. Het gaat aldus om het aanbieden van een dienst tegen betaling of vergoeding.

Van Dale beschrijft verstrekken als: “uitreiken aan”. Synoniem voor verstrekken is het woord verschaffen. Hetgeen “doen toekomen, voorzien van” betekent.

Daarbij hoeft het niet te gaan om het verstrekken tegen betaling waardoor er feitelijk een koopovereenkomst ontstaat.

Die ontstaat door een aanbod en een aanvaarding van dat aanbod. Dit aanbod en die aanvaarding zijn zelf rechtshandelingen, te weten eenzijdig gerichte rechtshandelingen. Dat wil zeggen dat een persoon die bij de totstandkoming van een overeenkomst betrokken is, eenzijdig tegenover de andere betrokkene(n) gedrag moet vertonen waaruit blijkt of schijnt dat hij een overeenkomst tot stand wil brengen. Het gaat om een gerichte rechtshandeling, omdat voor het bestaan van de rechtshandeling vereist is dat dit gedrag door de andere betrokkene(n) moet zijn opgevangen. Daarvan hoeft bij het „verstrekken“ geen sprake te zijn. Kortom, de term „verstrekken“ ziet op meer toe dan de term „verkopen“.

De alcoholhoudende drank wordt door de ondernemer van de kledingwinkel weliswaar gratis (= om niet) verstrekt, maar de verstrekking geschiedt wel in de uitoefening van een bedrijf. Er is derhalve sprake van een bedrijfsmatige verstrekking. Feitelijk gaat het met name om de verrichtingen waarmee wordt deelgenomen aan het economisch verkeer, aldus in het kader van de uitoefening van het bedrijf; niet privé of particulier”.

Een bedrijf is aldus een activiteit waarbij kapitaal en arbeid worden gecombineerd om goederen en/of diensten voort te brengen en aan te bieden op een markt, zulks voor eigen risico.  Overigens is het niet van belang of de ondernemer alcoholhoudende drank verstrekt met het oogmerk om daarmee winst te maken. De conclusie of sprake is van ‘’bedrijfsmatig’’ of ‘’niet-bedrijfsmatig’’ staat los van de vraag of de inrichting een ‘’open’’ dan wel een ‘’besloten’’ karakter heeft.

Aangezien het hier een kledingwinkel betreft die gratis alcoholhoudende dranken verstrekt, wordt daarmee gehandeld in strijd met artikel 18, lid 1 DHW. Dat betekent vervolgens dat er, anders dan in de rechtmatige uitoefening van het slijtersbedrijf, een (winkel)ruimte voor het publiek geopend wordt gehouden waar alcoholhoudende drank aanwezig is. Dat is in strijd met artikel 25, lid 1 onder a Drank- en Horecawet. Mogelijk worden de flessen alcoholhoudende dranken in voorraad gehouden in een voorraadruimte of keukentje behorende bij deze kledingzaak. Deze ruimte betreft een niet voor het publiek toegankelijke ruimte en in die ruimte mag volgens artikel 25, lid 1 onder b van de Drank- en Horecawet geen alcoholhoudende dranken in voorraad gehouden worden.

Dezelfde redenering geldt voor de autoshowroom.

Vraag

Mag een haringstal op straat zwak-alcoholhoudende dranken, als bier etc., verkopen?

 

Antwoord

In artikel 18, lid 1 van de Drank- en horecawet staat vermeld dat het is verboden in de uitoefening van een ander bedrijf dan het slijtersbedrijf zwak-alcoholhoudende drank voor gebruik elders dan ter plaatse aan particulieren te verstrekken.

In het tweede lid van genoemd artikel 18, wordt een aantal uitzonderingen op het bepaalde in het eerste lid beschreven, waardoor deze verbodsbepaling niet zou gelden voor de bedrijven zoals bedoeld in het tweede lid.

Verstrekken “in”

In de aanhef van het tweede lid van artikel 18 staat echter vermeld dat het “in het eerste lid vervatte verbod niet geldt ten aanzien van het verstrekken in”: Het gaat hier om het woordje “in”.

Er mag dus alleen maar zwak-alcoholhoudende drank worden verstrekt voor gebruik elders dan ter plaatse in een nader aangeduid type winkel. Voor de definitie van een winkel kan gebruik worden gemaakt van de omschrijving in de Winkeltijdenwet. In deze wet staat dat een winkel “een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte, waarin goederen aan particulieren plegen te worden verkocht” is.

Het bovenstaande impliceert dat geen zwak-alcoholhoudende drank voor gebruik elders dan ter plaatse aan particulieren mag worden verstrekt vanuit bijvoorbeeld kiosken of vanaf de standplaats op markten of braderieën.

Bij een kiosk of een standplaats is geen sprake van verkoop in een winkel. Er is alsdan sprake van loketverkoop. De klant staat buiten, vóór de kiosk, vóór het loket en niet in de winkel. Bij verkoop vanaf een marktkraam is uiteraard ook geen sprake van verstrekking in een winkel. Overtreding betreft een bestuurlijk beboetbaar feit.

Bij de beoordeling of sprake is van een kiosk moet allereerst de vraag worden beantwoord of sprake is van een winkel in de zin van artikel 18, lid 2 Drank- en Horecawet. De Drank- en Horecawet geeft geen definitie van het begrip “winkel”. Voor de beoordeling kan worden aangesloten bij de definitie zoals die is opgenomen in artikel 1 van de Winkeltijdenwet, te weten: “een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte, waarin goederen aan particulieren plegen te worden verkocht”.

Een kiosk kan niet als zodanig worden aangemerkt omdat een kiosk niet voor het publiek toegankelijk is. Het gaat hier veeleer om een verkooppunt, waar door een loket goederen aan particulieren worden verkocht. Dat een kiosk deel uitmaakt van een grotere ruimte zoals bijvoorbeeld een station doet daaraan niet af. Waar vanuit een zwak-alcoholhoudende dranken worden verstrekt aan particulieren voor gebruik elders dan ter plaatse,  wordt gehandeld in strijd met het verbod zoals dat is opgenomen in artikel 18 lid 1 van de Drank- en Horecawet.

Vraag

Een leidinggevende in een horecabedrijf moet van onbesproken gedrag zijn. Valt hieronder ook artikel 8 van de Wegenverkeerswet?

Antwoord

Artikel 8 in lid 1 onder b van de Drank- en Horecawet stelt dat een leidinggevende niet in enig opzicht van slecht levensgedrag mag zijn. De wetgever is van mening dat drempels moeten worden opgeworpen tegen personen die, blijkens hun strafrechtelijke verleden, onvoldoende beschikken over de bij het verstrekken van alcohol horende bijzondere verantwoordelijkheid. Deze verantwoordelijkheid is belangrijk. Leidinggevenden in de horeca en de slijterij die zèlf strafbare feiten hebben gepleegd zijn immers onvoldoende in staat hun klanten op naleving van waarden en normen aan te spreken.

In artikel 8, lid 2 van de Drank- en Horecawet wordt vervolgens aangegeven dat bij algemene maatregel van bestuur naast de in het eerste lid gestelde eisen, andere eisen ten aanzien van het zedelijk gedrag van leidinggevenden worden gesteld en dat de in dat lid, onder b, gestelde eis nader kan worden omschreven.

De eisen betreffen onder meer het zedelijk gedrag. In dit artikellid wordt gerefereerd aan het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet 1999. In dat besluit zijn strafrechtelijke veroordelingenstrafrechtelijke veroordelingen aangewezen, die leidinggevenden niet op hun naam mochten hebben staan, op straffe van afwijzing van de aanvraag om een vergunning of van intrekking van een reeds verleende vergunning.

In artikel 4, lid 1 onder d van het Besluit eisen zedelijk gedrag DHW 1999 staat vermeld dat een leidinggevende niet binnen de laatste vijf jaar bij meer dan één uitspraak onherroepelijk veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500,- of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, onder a, van het Wetboek van Strafrecht wegens dan wel mede wegens overtreding van artikel 8 Wegenverkeerswet.

Vraag

Wanneer dient een mechanische afzuiginstallatie in een horecalokaliteit in werking te zijn?

 

Antwoord

In artikel 5, lid 1 van het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet moet elk horecalokaal volgens artikel 5 zijn voorzien van een rechtstreeks met de buitenlucht in verbinding staande goed werkende mechanische ventilatie-inrichting met een luchtverversingscapaciteit van 3,8•10-3 m3/s per m2 vloeroppervlakte. In deze bepaling staat niet dat de installatie ook in werking moet zijn gedurende de openingstijd van het horecalokaal. Het lijkt uiteraard wel logisch en ook naar de geest van de wet, maar het Besluit geeft geen verplichting daartoe.

 

Vraag

Als een proces verbaal van de politie binnenkomt bij de gemeente over het schenken aan minderjarigen. Kan je dit dan ook gebruiken om een bestuurlijke boete op te leggen? of mag schenken aan minderjarigen alleen door gemeentelijke DHW BOA’s worden geconstateerd?

 

Antwoord

Het schenken aan een persoon onder de leeftijd van 18 jaar moet door de gekwalificeerde (aldus door een gediplomeerde toezichthouder zoals bedoeld in de artikelen 3 en 4 van de Regeling toezichthoudende ambtenaren DHW) toezichthouder zelf worden geconstateerd. Er ontstaat dan een overtreding van artikel 20, lid 1 juncto lid 3 van de Drank- en Horecawet waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd.

In uw situatie heeft constatering plaatsgehad door de politie als algemeen opsporingsambtenaar. Vervolgens is daarvoor een strafrechtelijke boete opgelegd via de Wet op de economische delicten. Dit proces-verbaal kan aldus niet worden gebruikt als basis voor het opleggen van een bestuurlijke boete omdat de politie ten eerste geen toezichthouder DHW is en bovendien o.g.v. artikel 5:44, lid 1 Awb geen bestuurlijke boete kan worden opgelegd als er al strafvervolging is ingesteld. Er kunnen nl. geen twee punitieve sancties worden opgelegd voor eenzelfde overtreding. Er kan wel aanvullend aan het proces-verbaal van de politie een reparatioire sanctie worden opgelegd,

De burgemeester kan derhalve het betreffende proces-verbaal van de politie gebruiken als “onderlegger” om een waarschuwing te geven of om een andere bestuurlijke maatregel te treffen zoals bijvoorbeeld het intrekken van de drank- en horecavergunning of het opleggen van een last onder dwangsom (als dat past in het gemeentelijke handhavingsstappenplan). Dit zijn beide reparatoire sancties.

Vraag

Steeds meer woon-, huishoud- en cadeauwinkels profileren zich als een soort warenhuis. Vervolgens worden in deze “warenhuizen” zwak-alcoholhoudende dranken verkocht. Voldoen deze winkels wel aan het bepaalde in artikel 18, lid 2 aanhef onder b van de Drank- en Horecawet?

Antwoord

Alvorens die vraag te beantwoorden wordt hieronder eerst een korte toelichting op artikel 18 Drank- en Horecawet gegeven.

Artikel 18 van de Drank- en Horecawet geeft  regelgeving  voor  niet-vergunningsplichtige  bedrijven  die  zwak- alcoholhoudende dranken mogen verkopen.

In het eerste lid wordt aangegeven dat het is verboden in de uitoefening van een ander bedrijf dan het slijtersbedrijf zwak-alcoholhoudende drank voor gebruik elders dan ter plaatse aan particulieren te verstrekken.

In het tweede lid wordt een aantal uitzonderingen op het bepaalde in het eerste lid beschreven, waardoor deze verbodsbepaling niet zou gelden voor de bedrijven zoals bedoeld in het tweede lid.

In het tweede lid wordt het mogelijk gemaakt om zwak-alcoholhoudende drank voor gebruik elders dan ter plaatse te verstrekken in de uitoefening van een aantal nader omschreven bedrijven, mits dit niet incidenteel gebeurt. Dit artikel beoogt te voorkomen dat de verkoop van alcohol zich uitbreidt tot allerlei bedrijven, waarin alcohol nu nog een branchevreemd artikel is.

In het tweede lid wordt, in relatie tot bovengenoemde vraagstelling, deze vorm van verstrekking aldus beperkt tot een tweetal typen bedrijven:

a.   een winkel waarin in overwegende mate levensmiddelen of tabak en aanverwante artikelen of uitsluitend zwak-alcoholhoudende     dranken al dan niet tezamen met alcoholvrije dranken worden verkocht.

Onder  deze  omschrijving  vallen  bijvoorbeeld  de  supermarkten,  tabakszaken,  de poeliers, de delicatessenzaken, de slagers, de viswinkels, melk- en groentezaken en speciaalzaken in bijvoorbeeld bier of wijnen, al dan niet in combinatie met alcoholvrije drank.

b. een warenhuis met een levensmiddelenafdeling met een vloeroppervlakte van ten minste 15 m² waarop een gevarieerd assortiment aan verpakte en onverpakte eetwaren wordt verkocht.

Omdat uit de evaluatie van de Drank- en Horecawet gebleken is dat sommige niet-levensmiddelenzaken  zoals  (videotheken,  drogisten  etc.)  met  een  beperkt  assortiment aan levensmiddelen of tabak ten onrechte meenden gerechtigd te zijn alco- holhoudende dranken te verkopen, is het tweede lid van artikel 18 (aanhef onder b) aangepast.

In het betreffende artikellid stond in de vorige wet vermeld dat het moest gaan om “een winkel waarin een gevarieerd assortiment aan levensmiddelen of tabak en aan- verwante artikelen werd verkocht”.

Warenhuis

Deze redactie is per 1 januari 2013 gewijzigd in “een warenhuis met een levensmiddelenafdeling met een vloeroppervlakte van ten minste 15 m² waarop een gevarieerd assortiment aan verpakte en onverpakte eet- waren wordt verkocht”.

Deze  aanpassing  heeft ertoe geleid  dat  duidelijker omschreven  is  dat  de  detailhandelsverkoop van alleen zwak-alcoholhoudende dranken is toegestaan in warenhuizen met een grote levensmiddelenafdeling.

Het begrip “warenhuis” is niet nader gedefinieerd in de wet en in de memorie van toelichting is daarop ook geen nadere toelichting gegeven. Aangesloten zou kunnen worden bij hetgeen daaronder in het spraakgebruik wordt gebezigd. Een warenhuis betreft dan een grote winkel die, vaak verspreid  over  meerdere  etages,  circa  10.000  tot  20.000  m²  beslaat. Een warenhuis omvat minimaal acht branches in de non-foodsector en een levensmiddelenafdeling. Het assortiment wordt gepresenteerd in afdelingen, waar apart wordt afgerekend (shop-in-shop). In die zin is een warenhuis een detailhandelsvorm met meerdere speciaalzaken onder één dak.

In de winkels zijn vaak ten minste zes van de volgende artikelgroepen verkrijgbaar: food, kleding/textiel/meubelen/ woninginrichting, verlichting, huishoudelijke artikelen, consumentenelektronica, doe-het-zelfartikelen, educatie en vrijetijdsartikelen.

Kleding/textiel is altijd aanwezig. De afzonderlijke artikelgroepen nemen tussen 5 en 50% van de verkoopvloeroppervlakte in beslag. Deze zijn alle verkrijgbaar door middel van zelfkeuze of zelfbediening, in combinatie met serviceverlening.

Warenhuizen met een beperkt en eenzijdig aantal levensmiddelen in het assortiment vallen hier dus niet onder.

Warenhuizen staan bij het CBS geregistreerd onder de SBI-code 47191. Hieronder vallen winkels die voldoen aan de volgende criteria:

  • de verkochte producten behoren tot acht of meer klassen van de groepen 472 en 474 t/m 477;
  • elke klasse heeft een omzetaandeel van meer dan 5%;
  • geen enkele klasse heeft een omzetaandeel van 50% of meer;
  • voedings- en genotmiddelen hebben een omzetaandeel van minder dan 50%;
  • er zijn 50 of meer personen werkzaam.

Naast de vraag of er sprake is van een warenhuis, moet er een sprake zijn van een “gevarieerd assortiment aan levensmiddelen”.

Wanneer is sprake van een “gevarieerd assortiment levensmiddelen”? Die vraag kwam aan de orde bij de rechtbank Utrecht (zie ECLI:NL:RBUTR:2010:BL4500, gedateerd 19-02-2010).

Het ging daarbij om een drogist die zwak-alcoholhoudende dranken verkocht voor gebruik elders dan ter plaatse. Daarbij werd gesteld dat deze drogist voldeed aan het bepaalde van het toenmalige artikel 18, lid 2 onder b van de Drank- en Horecawet. In dat artikel stond toendertijd vermeld dat “Het in het eerste lid vervatte verbod niet geldt ten aanzien van het verstrekken in een winkel waarin een gevarieerd assortiment aan levensmiddelen of tabak en aanverwante artikelen wordt verkocht.”

Omdat de Drank- en Horecawet slechts melding maakte van de begrippen “gevarieerd assortiment” en “levensmiddelen” en ook de wetsgeschiedenis behorend bij deze wet geen omschrijving gaf van voornoemde begrippen, heeft de rechtbank voor de beantwoording van de hiervoor gestelde vraag stilgestaan bij wat onder deze begrippen moet worden verstaan.

Levensmiddelen

In het dossier bevond zich geen proces-verbaal waarin stond weergegeven wat in het betreffende filiaal werd verkocht. Uit verklaringen bleek evenwel dat destijds in de betreffende winkel onder meer koffie, thee, hagelslag, pistolet, jam, cruesli, duopenotti, beschuit, noodels, spaghetti, cup a soep, pasta en pannenkoekenmix werd verkocht.

Bovendien werden nog meer producten genoemd zoals kruiden en specerijen, chips, rijstwafels, babyvoeding, dieetproducten, koekjes, cola, houdbare melk en roggebrood.

Voor de beoordeling van de vraag of deze producten onder de term “levensmiddelen” geschaard konden worden, zocht de rechtbank aansluiting bij de definitie van dit begrip uit de Algemene Levensmiddelen Verordening van 2002, naar welke definitie ook de Warenwet verwees.

Deze definitie luidde: “alle stoffen en producten, verwerkt, gedeeltelijk verwerkt of onverwerkt, die bestemd zijn om door de mens te worden geconsumeerd of waarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat zij door de mens worden geconsumeerd. Dit begrip omvat tevens drank, kauwgom, alsmede iedere stof, daaronder begrepen water, die opzettelijk tijdens de vervaardiging, de bereiding of de behandeling aan het levensmiddel wordt toegevoegd.”

De in het betreffende filiaal verkochte producten vielen onder het begrip levensmiddelen, nu zij allen dienden om door de mens te worden geconsumeerd.

Gevarieerd assortiment

De rechtbank zag zich vervolgens voor de vraag gesteld of het aanbod van voornoemde levensmiddelen in het betreffende filiaal een “gevarieerd assortiment” betrof. Bij de beantwoording van deze vraag zocht de rechtbank aansluiting bij de assortimentsindeling van het Centraal Bureau Levensmiddelenbranche uit 2004.

De rechtbank constateerde dat de hiervoor genoemde levensmiddelen onder (ten minste) 17 van de in deze assortimentsindeling genoemde hoofdgroepen konden worden ingedeeld. Het betroffen uiteenlopende producten. Onder deze omstandigheden was de rechtbank van oordeel dat het assortiment levensmiddelen dat deze drogist aanbood een gevarieerd assortiment betrof.

Nu daarmee aan de in artikel 18 lid 2 sub b van de Drank- en Horecawet genoemde uitzondering was voldaan, was het bewezenverklaarde feit niet strafbaar.

Woon-, huishoud- en cadeauwinkels

Gelet op bovenaan beschreven vraagstelling zal moeten worden onderzocht of de betreffende woon-, huishoud- en cadeauwinkels daadwerkelijk als “warenhuis” zoals hiervoor genoemd kunnen worden gekwalificeerd.

Dat zal kunnen blijken uit onderzoek ter plaatse. Vervolgens zal moeten worden bezien of de conclusies van dat onderzoek overeenkomen met de bedrijfsomschrijving zoals vermeld in het handelsregister van de betreffende vestiging.

Voor zover inderdaad sprake is van een warenhuis, dan moet vervolgens worden voldaan aan het feit dat er sprake moet zijn van een levensmiddelenafdeling met een vloeroppervlakte van ten minste 15 m² waarop een gevarieerd assortiment aan verpakte en onverpakte eetwaren wordt verkocht. Dat betekent dat moet worden onderzocht of er sprake is van de verkoop van een gevarieerd assortiment aan verpakte en onverpakte eetwaren, e.e.a. zoals hiervoor reeds nader toegelicht.

Wanneer niet wordt voldaan aan de vereisten van artikel 18, lid 2 onder b van de Drank- en Horecawet, dan zal moeten worden bezien of er dan sprake is van een winkel zoals bedoeld in artikel 18, lid 2 onder a van de Drank- en Horecawet.

Dat betekent dat er in dat geval dan sprake moet zijn van een winkel waarin in overwegende mate levensmiddelen worden verkocht.

Volgens de memorie van toelichting (Tweede Kamer, vergaderjaar 1997–1998, 25 969, nr. 3) vielen onder deze omschrijving de supermarkten, de poeliers, de delicatessenzaken, de slagers, de viswinkels en melk- en groentezaken.

Of deze woon-, huishoud- en cadeauwinkels onder die begripsomschrijving valt zeer te betwijfelen.

 

Vraag:

We hebben hier in de gemeente een tennisvereniging die betreffende de verlichting gebruik wil maken van de 12-dagen regeling. In de APV is opgenomen dat dit 10 dagen voordat de dag gebruikt wordt gemeld moet worden bij de gemeente. 12-dagen regeling is mogelijk op basis van het activiteitenbesluit.

Nu vraagt de tennisclub meestal een aantal dagen tegelijk aan en dat zijn er meer dan 12 . Het zijn er zelfs 24. maar ze gebruiken er maar 9 of 10 op jaarbasis.

Ze geven aan dat ze van te voren niet kunnen aangeven wanneer ze de dag nodig hebben. Dit heeft met het uitspelen van de wedstrijden te maken en soms ook met het weer.

Kunnen wij de melding op deze manier accepteren of is de dag als je die aanvraagt maar niet gebruikt omdat de wedstrijd toch eerder is afgelopen, dan verbruikt?

Antwoord:

Het antwoord op deze vraag is niet te vinden in het Activiteitenbesluit, maar in het beleid dat de gemeente zelf zou moeten hebben vastgesteld naar aanleiding van het opnemen van deze bepaling (vanuit het Activiteitenbesluit in de APV). Derhalve wordt in dit kader terugverwezen naar het gemeentelijke beleid op dit punt.

Mogelijk staat in dit beleid niets te vinden over de wijze van omgaan met dit soort situaties. In dat geval is het verstandig om alsnog een dienaangaande regeling op te nemen in het beleid. Dit beleid moet dan wel opnieuw worden gepubliceerd en voorafgaande worden voorgelegd aan de betreffende instellingen.

Gebruikmaking is inderdaad afhankelijk van de duur van een wedstrijd en/of het weer op dat moment. Je zou kunnen opnemen in het beleid dat, voor zover de betreffende instelling daadwerkelijk gebruik wil gaan maken van al eerder aangevraagde/gereserveerde meldingen, dit uiterlijk voor een bepaalde periode (24 uur, 12 uur o.i.d.) moeten worden gemeld via een bepaald emailadres aan de gemeente. Gebeurt dat niet, dan wordt de eerder gedane melding meegeteld als ware het gebruikt.

Vraag

Hierbij een vraag met betrekking tot artikel 18 lid 2 sub b Drank- en Horecawet.

Het betreft een winkel met een totale oppervlakte van 66 m2. Het betreft een kaaswinkel die ook wijnen verkoopt.

In de winkel staat ook een toonbank. De vraag is nu:

Moeten we de toonbank in het gehele oppervlakt meenemen om te bepalen of deze winkel voldoet aan minmaal 15 m2 om de wijnen te mogen verkopen?

Antwoord

Een kaaswinkel waarin zwak-alcoholhoudende dranken worden verstrekt voor gebruik elders dan ter plaatse valt onder de uitzonderingen van artikel 18, lid 2 onder a van de Drank- en Horecawet. Het betreft hier een winkel waarin in overwegende mate levensmiddelen worden verkocht.

Voor een dergelijke winkel geldt niet het oppervlakte-vereiste zoals vermeld in artikel 18, lid 2 onder b van de Drank- en Horecawet. Die eis geldt alleen voor een warenhuis met een levensmiddelenafdeling met een vloeroppervlakte van ten minste 15 m. waarop een gevarieerd assortiment aan verpakte en onverpakte eetwaren wordt verkocht.

Vraag

Artikel 20 vierde lid Drank- en Horecawet is toch een beboetbaar feit?

Maar in de bijlage van het Besluit bestuurlijke boete Drank- en Horecawet komt dit artikel 20 vierde lid niet voor.

Klopt dit?

Antwoord

Dat klopt en dat klopt niet…. Lekker duidelijk antwoord toch?

Hoe zit het. De Drank- en Horecawet is gewijzigd per 1 januari 2013 en vervolgens is per 1 januari 2014 de leeftijdsverstrekkingsgrens opgehoogd van 16 naar 18 jaar.

Dat betekende dat artikel 20, lid 1 (verstrekkingsleeftijd zwak-alcohol) en lid 2 (verstrekkingsleeftijd sterke drank) bij elkaar gevoegd zijn. Dat betekende vervolgens dat alle leden van artikel 20 (dat waren er 7) een lid opschoven. Dus het oorspronkelijke artikel 20, lid 5 (aanwezigheid aanduiding leeftijden) werd per 1 januari 2014 dus lid 4. Echter in de bijlage van het Besluit bestuurlijke boete DHW is dat helaas niet tijdig aangepast en stond aldaar nog artikel 20, lid 5 opgesomd.

Bij Reparatiebesluit van VWS van 1 december 2014 (Staatsblad 2014-485) is dat gerepareerd. Als je nu in genoemde bijlage kijkt, zie je dat artikel 20, lid 4 DHW is opgenomen in Categorie A van de bijlage van het Besluit bestuurlijke boete DHW.

Vraag

Is het toegestaan om in een horecabedrijf zonder drank- en horecavergunning alcoholhoudende drank in de keuken in voorraad te hebben ten behoeve van het bereiden van eetwaren waarin alcoholhoudende dranken worden verwerkt?

Antwoord

In artikel 25, lid 1, onder b, onderdeel 2 van de Drank- en Horecawet staat vermeld dat het degene die, anders dan in de rechtmatige uitoefening van het slijtersbedrijf of horecabedrijf (dus met rechtsgeldige drank- en horecavergunning), een ruimte voor het publiek geopend houdt, is verboden in de voor het publiek niet toegankelijke delen van die ruimte alcoholhoudende drank in voorraad te hebben, tenzij het betreft het in voorraad hebben van alcoholhoudende drank ten behoeve van waren die uit onder meer alcoholhoudende drank worden vervaardigd.

Let wel, het gaat om alcoholhoudende drank, dus zowel om zwak-alcoholhoudende als sterke drank.

Het is aldus toegestaan om in een horecabedrijf zonder drank- en horecavergunning alcoholhoudende drank in de keuken in voorraad te hebben ten behoeve van het vervaardigen van eetwaren waarin alcoholhoudende dranken worden verwerkt.

Vraag

Wat is het rechtskarakter van een meldingsstelsel zoals bedoeld in artikel 2:12 model-APV (aanleggen van een uitweg) en staat tegen die melding rechtsbescherming open?

Antwoord

Over dit onderwerp heeft staatsraad Advocaat-Generaal Widdershoven (hierna:’A-G’) een conclusie geschreven. In de conclusie wordt niet alleen het rechtskarakter van deze melding, maar ook van diverse andere meldingen en toestemming behandeld.

Let op; in de conclusie geeft de A-G zijn visie over het rechtskarakter van de diverse meldingstelsels, dit is dus niet het uiteindelijke oordeel van de Afdeling. De uitspraak door de Afdeling in deze zaak moet nog worden genomen, echter in de regel zal de Afdeling de conclusies van de A-G wel overnemen.

Klik hier voor conclusies van de staatsraad.

Vraag

Ik heb een vraag over het automatisch vervallen van een drank- en horecavergunning.

Er is een vergunning verleend aan de eigenaar van een horeca-inrichting. Deze vergunning is gebruikt. Na enige tijd is de inrichting verhuurd en heeft de nieuwe exploitant ook een drank en horecavergunning voor deze inrichting gekregen. De 1e vergunning is door ons niet ingetrokken.

Mijn vraag is of de 1e vergunning automatisch is vervallen bij het verlenen van de 2e vergunning?

Zo niet, kan de 1e vergunning dan na een periode van 3 jaar weer gewoon gebruikt worden?

Antwoord

Volgens artikel 33 onder b DHW vervalt een vergunning wanneer gedurende een jaar anders dan wegens overmacht geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning.

Dus als met de 1e vergunning gedurende een jaar anders dan wegens overmacht geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning is die van rechtswege vervallen.

Na een periode van 3 jaar kan deze vergunning (er van uitgaande dat er geen sprake is geweest van overmacht) dus niet meer worden gebruikt wegens het voordoen van de omstandigheid zoals beschreven in artikel 33 onder b DHW.

Intrekken van de vergunning kan overigens niet omdat dit geen intrekkingsgrond betreft zoals beschreven in artikel 31 DHW.

Vraag

Een kerk in onze gemeente dreigde te worden gesloopt. Een aantal bewoners is toen in actie gekomen en heeft de kerk gekocht. Deze personen hebben vervolgens een stichting opgericht.

Teneinde het onderhoud van de kerk te kunnen bekostigen verhuurt de stichting ruimten in de kerk aan allerlei verenigingen. Maximaal 12 x per jaar vinden er ook besloten feesten van persoonlijke aard plaats.

De stichting verstrekt uitsluitend koffie en thee. De huurders verzorgen zelf de hapjes en drankjes.

Artikel 25 DHW, stelt dat, voor zover er geen sprake is van een rechtmatige uitoefening van het horecabedrijf, in een voor publiek toegankelijke ruimte, geen alcoholische dranken aanwezig mogen zijn, of worden genuttigd.

Speelt het feit dat het gaat om besloten aangelegenheden hierbij nog een rol? Is er dan wel sprake van voor publiek toegankelijke ruimte?

Antwoord

De vraag waar het om draait is of hier sprake is van beslotenheid zoals dat is bedoeld in artikel 25 van de Drank- en Horecawet.

In een vandaag de dag nog steeds belangwekkende uitspraak van de toenmalige Afdeling Rechtspraak van de Raad van State (AB 1987/113) van 14 augustus 1986 is daar een duidelijk kader voor gegeven.

Het ging in daarbij om een persoon die zijn inpandige stal die hij tot 1972 ten behoeve van zijn landbouwbedrijf gebruikte, had verbouwd tot een ruimte welke geschikt werd voor het houden van feesten en gezellige bijeenkomsten en ook voor dat gebruik door hem werd verhuurd. Ten aanzien van het al dan niet bestaan van het openbare karakter is toen het volgende gesteld door de Afdeling.

  1. De stal kon op afroep door een ieder worden gehuurd;
  2. Van deze mogelijkheid werd zeer regelmatig en steeds door andere groeperingen gebruik gemaakt;
  3. Voorts had de verhuurder er, blijkens rapporten van de politie, geen grip of controle op wie bij een bepaalde bijeenkomst aanwezig warens;
  4. Het is de Afdeling niet gebleken van voorwaarden tussen verhuurder en de huurders, op grond waarvan het besloten karakter zou kunnen worden veiliggesteld;
  5. Voorts is gebleken dat verhuurder bij het verhuren van zijn lokaliteit lang niet in alle gevallen zekerheid had omtrent het aantal genodigden en de band die er tussen hen bestond, zodat meer dan eens sprake was van een onbepaalde groep bezoekers;
  6. Ter zitting is door de verhuurder verklaard dat tijdens de openingsuren de huurder de beschikkingsmacht over de stal had en verantwoordelijk was voor de orde en rust, en dat verhuurder maar in zeer beperkte mate controle uitoefende op de bezoekers van een bepaalde bijeenkomst;
  7. Bezien in verband hiermee was tevens van belang dat de verhuur met een vrij hoge frequentie en aan steeds wisselende groeperingen plaatsvond;
  8. Hierdoor ontstaat toch een vorm van publiek gebruik, totaal verschillend van bijvoorbeeld bijeenkomsten van steeds dezelfde sociëteit of vereniging;
  9. Dit aspect versterkt het publieke karakter van het gebruik van de lokaliteit. Onder het publiek wordt alsdan c.q. behoort te worden verstaan: een ieder die dat wenst;
  10. Dat huur door een ieder op afroep mogelijk was, bleek onder meer uitverklaringen van gebruikers alsmede uit een aantal huurcontracten.

Gelet op deze omstandigheden was de Afdeling van oordeel dat de feitelijke exploitatie te dezen op zodanige wijze werd gevoerd dat, bezien in het licht van doel en strekking van de Drank- en Horecawet, niet meer van een besloten inrichting kon worden gesproken.

De vraag of sprake is van beslotenheid in de voorgelegde casus zal alsdan moeten worden beantwoord aan de hand van bovenstaande criteria.

Alhoewel wij slechts over die informatie beschikken zoals omschreven in de vraag, lijkt het bij deze vorm van zaalverhuur niet te gaan om een ruimte met een besloten karakter en geldt het bepaalde in artikel 25 Drank- en Horecawet. Dat betekent dat in die voor het publiek toegankelijke ruimten geen alcoholhoudende dranken aanwezig mogen zijn (artikel 25, lid 1 onder a DHW) en ook niet mogen worden genuttigd (artikel 25, lid 2 DHW).

Vraag

De gemeenteraad van onze gemeente wil in de paracommerciële verordening een regel opnemen zodat bepaalde paracommerciële instellingen wel sterke dranken mogen schenken.

Ik stel dat dit niet kan volgens artikel 12 lid 2 Drank- en Horecawet omdat zij geen slijtlokaliteit zijn.

Inmiddels weten wij dat ook twee andere gemeenten schenken van sterke dranken in hun verordening hebben opgenomen.

Wat is nu mogelijk ?

Antwoord

In artikel 12, lid 2 Drank- en Horecawet is het verbod opgenomen om sterke drank te verstrekken voor gebruik elders dan ter plaatse anders dan in een slijtlokaliteit die in de vergunning is vermeld. In de onderstaande casus gaat het echter niet om een slijtersbedrijf, maar om een horecabedrijf uitgeoefend door een paracommerciële instelling. Het bepaalde in artikel 12, lid 2 DHW is derhalve niet van toepassing voor de verstrekking van alcoholhoudende dranken voor gebruik ter plaatse zoals dat plaatsvindt bij paracommerciële instellingen.

Op grond van het bepaalde in artikel 25a, lid 2 onder b van de Drank- en Horecawet kunnen gemeenteraden bij gemeentelijke verordening het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van alcoholhoudende drank in inrichtingen verbieden of aan beperkingen onderwerpen. Bij deze gemeentelijke verordening kan nl. worden bepaald dat de burgemeester volgens bij die verordening te stellen regels voorschriften aan een vergunning als bedoeld in artikel 3 DHW kan verbinden en de vergunning kan beperken tot het verstrekken van zwak-alcoholhoudende drank (dat is feitelijk het omgekeerde van wat de gemeenteraad wil). In de betreffende vergunningen wordt dan bijvoorbeeld het volgende voorschrift opgenomen: “Deze vergunning geldt niet voor de verstrekking van sterke dranken”.

Let wel op. Deze beperking kan alleen worden toegepast als deze door de gemeenteraad ook als zodanig in een gemeentelijke verordening is opgenomen.

Een voorbeeld van een dergelijke bepaling staat hieronder vermeld:

Artikel [artikelnummer] Beperking verstrekking alcoholhoudende drank

  1. Het is verboden sterke drank voor gebruik ter plaatse te verstrekken in een horecabedrijf of een onderdeel daarvan:
    1. waar uitsluitend of in hoofdzaak kleine eetwaren worden verkocht;
    2. dat uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij een jeugdorganisatie of -instelling;
    3. dat uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij een sportorganisatie of -instelling;
    4. dat in gebruik is als wachtruimte voor passagiers van een openbaar vervoerbedrijf of
    5. waar onderwijs wordt gegeven.
  2. De burgemeester kan van dit verbod ontheffing verlenen.

Vraag

Hoe vraag je justitiële informatie op van in het buitenland woonachtige personen?

Antwoord

Reeds langer is het mogelijk om strafrechtelijke informatie binnen de Europese Unie uit te wisselen. Hiervan werd slechts beperkt gebruik gemaakt vanwege allerlei problemen, zoals te late ontvangst of onbekendheid met de taal. Door de toenemende mobiliteit, waardoor criminelen eenvoudig aan hun justitieel verleden kunnen ontsnappen, werd de noodzaak tot verbetering steeds groter.

Met name de zaak Michel Fourniret (2004, ontvoering/verkrachting/moord) was voor de Europese Commissie aanleiding om actie te ondernemen. Naast het Verdrag van Prüm (27 mei 2005, ofwel: Schengen III) werd als ‘noodmaatregel’ (Kaderbesluit 2005/876/BJZ) de onderlinge uitwisseling van gegevens uit het strafregister verplicht aan de EU-lidstaten opgelegd.

Per EU-lidstaat één Centrale Autoriteit

Per EU-lidstaat is een ‘Centrale Autoriteit’ aangewezen, die:

– verantwoordelijk is voor het verzenden van strafvonnissen naar en het beantwoorden van informatieverzoeken van de Centrale Autoriteiten van de andere lidstaten

– binnen de eigen lidstaat als intermediair optreedt voor de uitwisseling van strafrechtelijke gegevens naar de aanleverende en/of bevragende organisaties en autoriteiten.

In de meeste lidstaten is de beheerorganisatie van het nationale strafregister als Centrale Autoriteit aangegeven zodoende vervult in Nederland de Justitiële Informatiedienst deze rol.

Nog niet in alle gevallen worden met alle lidstaten strafrechtelijke gegevens uitgewisseld.  Nederland wisselt op dit moment met 17 andere lidstaten strafrechtelijke gegevens uit.

Vraag

Wij hebben hier een supermarkt met een inpandige slijterij. Deze slijterij voldoet aan alle in de Drank- en Horecawet gestelde eisen.

Alleen tijdens een controle zagen we dat de leidinggevende niet aanwezig was in de slijterij, maar in de supermarkt.

Is hier nu sprake van een overtreding van artikel 24, lid 1 Drank- en Horecawet?

Antwoord

Gelet op de beschrijving van het begrip “slijtlokaliteit” (artikel 1, eerste lid 6e gedachtestreepje) en het begrip “inrichting” (artikel 1, eerste lid 7e gedachtestreepje) van de Drank- en Horecawet, blijkt dat de neringruimte (winkelruimte) van de supermarkt géén onderdeel is van de inrichting waarin het slijtersbedrijf wordt uitgeoefend.

Dit betekent dat, gelet op het bepaalde in artikel 24, lid 1 DHW, de leidinggevende van het slijtersbedrijf en zoals vermeld op het aanhangsel bij de drank- en horecavergunning feitelijk en fysiek aanwezig moet zijn in de inrichting waarin het slijtersbedrijf wordt uitgeoefend. De inrichting waarin het slijtersbedrijf wordt uitgeoefend is, bij een slijterij in een supermarkt, vaak dezelfde ruimte als de slijtlokaliteit (meer ruimten die daartoe behoren zijn er vaak niet).

Bij alle constateringen/controles waarbij de leidinggevende van de slijterij (bijvoorbeeld de bedrijfsleider van de supermarkt) vanuit de neringruimte van de supermarktwinkel aan komt lopen en de inrichting waarin het slijtersbedrijf wordt uitgeoefend (aldus vaak het slijtlokaal) betreedt, dan ontstaat aldus een overtreding van het bepaalde van artikel 24, lid 1 DHW.

De leidinggevende die op het aanhangsel bij de slijtvergunning staat vermeld, dient gewoonweg gedurende de openingstijden van het slijtlokaal aanwezig te zijn in de inrichting waarin het slijtersbedrijf wordt uitgeoefend en dat is dus niet inrichting van de supermarkt. Het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet bepaalt in dat kader juist dat er tussen supermarkt en slijterij een sluisje (verbindingslokaliteit) aanwezig moet zijn en aan welke voorwaarden die ruimte moet voldoen. Heen en weer lopen tussen de supermarkt en de slijterij is niet toegestaan.

Gekeken naar de parlementaire geschiedenis op dit punt was het juist oorspronkelijk de bedoeling om de toegangsdeur van de slijterij te situeren aan de openbare weg om zodoende juist fysiek twee gescheiden winkels te creëren. Pas sinds 1 november 2000 is, vanwege het feit dat er slijterijen werden gevestigd in winkelcentra die de toegangsdeur hadden in een overdekte passage, het toegestaan dat de toegang tot een slijterij niet op de openbare weg is gesitueerd.

Voor wat betreft de kleinhandel in een slijterbedrijf wordt in artikel 15, lid 2 DHW in dit kader nog bepaald dat de lokaliteit (in dit geval de supermarkt) waarin die andere activiteiten plaatsvinden niet rechtstreeks in verbinding mag staan met de slijtlokaliteit. Er zal volgens de memorie van toelichting altijd een verkoopvrije ruimte als sluis tussen moeten worden aangebracht.

Een slijtlokaliteit mag aldus niet rechtstreeks grenzen aan een ruimte waarin iets anders wordt verkocht of aangeboden. Deze eis is juist gesteld tot behoud van het zelfstandige karakter van slijterijen.

Ook dit is een uitwerking van de gedachte, dat het publiek niet verleid mag worden tot de aankoop van alcoholhoudende drank. Op deze wijze wordt voorkomen dat alcoholhoudende drank in de verkoopstrategie van winkels in andere goederen een rol kan spelen (‘trafficking‘). Dit is een aan de huidige omstandigheden aangepaste uitwerking van de aloude opvatting dat de toegang van een slijterij aan de openbare weg dient te liggen.

Vraag

Binnen onze gemeente bevindt zich een vmbo-school die leerlingen opleidt in de richting Horeca. In die school is een restaurant gevestigd waar het mogelijk ik om als gast te gaan eten, inclusief het nuttigen van een alcoholhoudend drankje. Deze school heeft om de een of andere reden (nog) geen DHW-vergunning. Ik was de wet er even op aan het nalezen of daar iets specifieks over vermeld staat maar kon dat niet vinden dus ik ga ervan uit dat ze gewoon een vergunning op grond van de Drank- en Horecawet moeten hebben. Het is immers een inrichting: ze oefenen het horecabedrijf uit. Klopt toch?

Nu staat er in de wet bij artikel 24, lid 3 dat het verboden is in een slijtlokaliteit of horecalokaliteit, gedurende de tijd dat daarin dranken worden verstrekt, personen jonger dan 16 jaar dienst te laten doen. Dat wordt dan een probleem op een school waar hoofdzakelijk 16- leerlingen zitten. Is hiervoor een uitzondering te maken?

 

Antwoord

Deze school moet inderdaad voor deze vorm van alcoholverstrekking in het bezit zijn van een drank- en horecavergunning.

Dienst doen in een horecalokaliteit kan, zo stelt artikel 24, lid 3 DHW, pas vanaf een leeftijd van 16 jaar. Onder deze leeftijd is dienst doen in een horecalokaal verboden. Er is geen ontheffing mogelijk.

Dit betekent echter dat deze 16-minners wel in het horecabedrijf mogen werken, maar niet in het horecalokaal. Werken in bijvoorbeeld de keuken is aldus wel toegestaan.

Vraag

Het spreekt voor zich dat er bij de toegang tot een slijtlokaliteit een leeftijdsgrenzenaanduiding moet zijn.

Moet er in geval van een slijtlokaliteit eveneens een aanduiding zijn waarop kenbaar wordt gemaakt dat de toegang tot deze slijtlokaliteit verboden is voor personen onder de 18 jaar? In artikel 20,lid 2 wordt hier namelijk over gesproken.

Ik vraag dit omdat op de sticker aanduidingen expliciet gesproken wordt over verstrekking onder de 18 jaar geen alcohol en artikel 20, lid 2 puur betrekking heeft op het niet aanwezig mogen zijn in een slijtlokaliteit (het is verboden).

Antwoord

In wet tot wijziging van de Drank- en Horecawet per 1 november 2000 is in artikel 20 een nieuw artikellid 6 toegevoegd:

Op plaatsen waar bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank wordt verstrekt, alsmede bij de toegang tot een slijtlokaliteit, dient duidelijk zichtbaar en goed leesbaar te worden aangegeven welke leeftijdsgrens of leeftijdsgrenzen gelden. Onze Minister kan daaromtrent nadere regels stellen en modellen voorschrijven”.

In de memorie van toelichting behorende bij voornoemd wijzigingsvoorstel (zie dossiernr. 25969) stond in dit kader het volgende vermeld:

“Toegevoegd is een zevende lid (is zesde lid geworden!), dat bepaalt dat op alle verstrekkingspunten van alcoholhoudende drank borden met goed leesbare tekst moeten zijn opgehangen, vermeldend welke leeftijdsgrens of -grenzen daar gelden.

Zo zal in een supermarkt uitsluitend gemeld hoeven worden dat geen alcoholhoudende drank mag worden verstrekt aan beneden 16-jarigen, omdat daar geen sterke drank mag worden verstrekt.

In slijterijen en in de horeca, waar zowel zwak-alcoholhoudende als sterke drank mag worden verstrekt, moeten de leeftijdsgrenzen van 16 en 18 jaar worden vermeld.

Bij slijtlokaliteiten en grotere dansgelegenheden moeten bij de toegang borden worden aangebracht die vermelden welke leeftijdseis voor de toegang geldt”.

Per 1 januari 2013 is de tekst van dit artikellid overigens weer veranderd. Deze bepaling bleek in de praktijk namelijk onduidelijk. Daarom is in de huidige wet in artikel 20, lid 4 (voorheen lid 6) vermeld dat bij de voor het publiek bestemde toegang tot een horecalokaliteit, een slijtlokaliteit, een ruimte als bedoeld in artikel 18, tweede lid, of een vervoermiddel waarin bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank wordt verstrekt, duidelijk zichtbaar en goed leesbaar dient te worden aangegeven welke leeftijdsgrens of leeftijdsgrenzen gelden.

De leeftijdsaanduiding hoeft derhalve alleen nog te worden aangebracht bij de voor het publiek bestemde toegangsdeur tot een horecalokaliteit, een slijtlokaliteit, een winkel, warenhuis of snackbar en een vervoermiddel waarin bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank wordt verstrekt. De vaak voorkomende vermelding van leeftijdsgrenzen op het schap in levensmiddelenwinkels is dus niet meer in de wet opgenomen, net zo min als de vermelding bij terrassen, op terrasmeubilair en bij kassa’s.

De eis van toegangsleeftijdsaanduiding bij de slijtersberdrijven blijft in dit kader echter onveranderd.

Vraag

Als in een buurthuis of kantine alcohol wordt geschonken om niet kan dit dan zonder DHW? Naar mijn idee is het dan toch een horecalokaliteit, aan de andere kant stelt de wet “anders dan om niet”.

Antwoord

Als in een buurthuis gratis alcoholhoudende drank wordt verstrekt, dan is er in dit geval nog steeds sprake van een bedrijfsmatige verstrekking en is op grond van artikel 3 DHW daarvoor een vergunning benodigd.

Zou het gaan om een gratis verstrekking die bovendien niet als bedrijfsmatig kan worden gekwalificeerd, dan kan geen drank- en horecavergunning verleend worden. Dat betekent echter niet dat er dan alcoholhoudende dranken kunnen worden verstrekt. In zo’n situatie geldt het bepaalde in artikel 25, lid 1 onder a DHW. In dat artikel is bepaald dat, voor zover er geen sprake is van de rechtmatige uitoefening van het horecabedrijf, in een ruimte die voor het publiek toegankelijk wordt gehouden, geen alcoholhoudende dranken aanwezig mogen zijn. Lid 2 van genoemd artikel stelt vervolgens dat in zo’n situatie ook niet mag worden toegestaan dat er alcoholhoudende dranken worden genuttigd.

Vraag

Wie controleert op leeftijd bij internetverkoop?

Nu bestelt iemand sterke drank. Wordt betaald en het wordt aan huis afgeleverd. Nu doet er iemand van 15 jaar open. En dan?

Wie doet de leeftijdsgrenscontrole?

Antwoord

Bij internetverkoop van alcoholhoudende dranken geldt uiteraard ook het bepaalde in artikel 20, lid 1 van de Drank- en Horecawet. Dat betekent dat de slijter en/of diens medewerker, die de via internet bestelde fles sterke dranken aan huizen van particulieren komt afleveren, zich moet vergewissen van de leeftijdsgrens van de ontvanger. Bij twijfel moet ook hier gevraagd worden om legitimatie. Is er geen persoon van 18 jaar of ouder aanwezig om de bestelde drank in ontvangst te nemen, dan mag die fles niet worden verstrekt en moet de fles op een later moment opnieuw worden aangeboden.

Helaas is dit de theorie en blijkt uit mysteryshoponderzoeken dat jongeren onder de leeftijd van 18 jaar in dergelijke situaties helaas gewoon aan deze sterke dranken kunnen komen. Er staat geen toezichthouder achter elk tuinhek of elke tuinschutting. En aldus zal in voorkomende gevallen artikel 20 DHW worden overtreden. De slijter zal zich professioneel moeten opstellen en geen dranken moeten verstrekken aan jongeren onder de leeftijd van 18 jaar. Mogelijk ligt goede mondelinge en schriftelijke voorlichting voor deze bedrijven in uw gemeente in de rede. Het is altijd goed om een (waarschuwend) gesprek te hebben met een betreffende slijter waarvan bekend is dat deze in dit kader het bepaalde van artikel 20, lid 1 DHW niet naleeft.

Leeftijdscontroles (naleving artikel 20 DHW) worden uitgevoerd door de toezichthouders zoals bedoeld in artikel 41, lid 1 onder b en lid 2 onder b DHW juncto artikel 2, lid 2 van de Regeling toezichthoudende ambtenaren DHW.

Vraag
Er vinden , in strijd met het bestemmingsplan, ondersteunende horeca-activiteiten plaats in een gebouw bestemd voor paracommerciele activiteiten. Deze ondersteunende horeca-activiteiten worden uitgeoefend via een pachtcontract door een commerciële rechtspersoon (in dit geval een besloten vennootschap). Deze  vorm van horeca willen wij aanmerken als paracommercieel omdat zij ondersteunend is aan een sportinstelling.
Mag dat?
Antwoord

In artikel 1, lid 1 DHW staat duidelijk vermeld wat een paracommerciele instelling is. Het betreft een rechtspersoon, niet zijnde een BV of NV, die zich naast activiteiten van recreatieve, sportieve, sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard richt op de exploitatie in eigen beheer van een horecabedrijf. Daarvan is hier geen sprake.

In deze situatie wordt door een commercieel bedrijf een ruimte gepacht in een gebouw waarin paracommerciele activiteiten worden uitgeoefend.  Het betreft hier dus geen paracommerciele instelling.

De gemeente kan dit probleem ondervangen door de volgende bepaling op te nemen in de paracommerciele verordening:

Artikel …….    Schenktijden en verbod verstrekken van sterke drank

1. Het is verboden buiten onderstaande tijden alcoholhoudende drank te verstrekken in een inrichting waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend, niet zijnde een paracommerciële inrichting, welke:

a.  deel uitmaakt van een gebouw dat of waarvan een onderdeel uitsluitend of in hoofdzaak wordt gebruikt om onderwijs te geven aan leerlingen die merendeels de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, of

b. deel uitmaakt van een gebouw dat of waarvan een onderdeel uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij een of meer jeugd- of jongerenorganisaties, of

c. deel uitmaakt van een gebouw dat of waarvan een onderdeel uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is als gemeentelijk wijkgebouw of buurthuis, of

d. deel uitmaakt van een gebouw, dat uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij één of meer sportorganisaties of –instellingen.

Maandag tot en met donderdag van …. uur tot ….. uur

Vrijdag, zaterdag en zondag …. uur tot …. uur

2. In de in het eerste lid bedoelde inrichtingen is het verboden sterke drank te verstrekken..

Advies:

1. Verordening aanpassen en uitbreiden met een artikel zoals hiervoor genoemd of met een vergelijkbare strekking. Of het bepaalde in lid 2 moet worden opgenomen is natuurlijk aan de gemeente, dat geldt ook voor de genoemde dagen;

2. Met toepassing van punt 1 wordt het Drankwettelijke gedeelte opgelost. Echter, commerciële horeca op die locatie is in strijd met het bestemmingsplan. Dat betekent ook dat het gebruik als horecadeel in overeenstemming moet worden gebracht met het geldende bestemmingsplan (binnen- of buitenplanse procedure).

 

Vraag

Mag in een zaaltje naast de slijterij een proeverij gehouden worden?

Antwoord

Ja, maar alleen indien dit zaaltje vermeld staat op een geldige Drank- en Horecawetvergunning voor het uitoefenen van een horecabedrijf.

 

Vraag

Mag in een wijnwinkel (op verzoek van een klant) geproefd worden?

Antwoord

Nee, dit mag alleen in  een slijtlokaliteit. Het staat de ondernemer van een wijnwinkel vrij sterke drank aan zijn assortiment toe te voegen en een vergunning voor het slijtersbedrijf aan te vragen.

Vraag

Mag een cafetaria met een drank- en horecawetvergunning bier verkopen voor gebruik elders dan ter plaatse?

Antwoord

Nee, het is verboden om in een horecalokaliteit alcoholhoudende drank te verkopen voor gebruik elders dan ter plaatse. Een cafetaria zonder Drank- en Horecawetvergunning, waar geen alcoholhoudende drank wordt verstrekt voor gebruik ter plaatse, mag alcohol verkopen om mee te nemen.

Vraag

Moet de rookruimte als horecalokaliteit op de Drank- en Horecawetvergunning worden geplaatst?

Antwoord

Ja, als er in de rookruimte alcoholhoudende dranken worden genuttigd, moet deze rookruimte als horecalokaliteit op de Drank- en Horecawetvergunning  worden vermeld en moet deze aan de inrichtingseisen voldoen. Volgens artikel 25, tweede lid is het namelijk verboden om in een voor het publiek geopende ruimte, anders dan in de rechtmatige uitoefening van het horecabedrijf, toe te laten dat daar alcoholhoudende drank wordt genuttigd.

Vraag

Mag een slijterij tijdens een braderie vanuit een kraam voor de deur sterke drank verkopen voor gebruik elders dan ter plaatse?

Antwoord

Nee, dat mag niet. Het is verboden sterke drank voor gebruik elders dan ter plaatse, te verstrekken anders dan in een slijtlokaliteit die in de vergunning is vermeld.

Vraag

Moet je voor het optreden op basis van artikel 12 de verstrekking daadwerkelijk zien?

Antwoord

Ja, alleen als je de daadwerkelijke verstrekking ziet, kun je artikel 12 ten laste leggen.

Vraag

Moet een terras altijd op een vergunning vermeld staan?

Antwoord

Ja, het terras moet altijd worden vermeld op de DHW-vergunning. Daarbij wordt tevens het oppervlakte vermeld. Voor de afmetingen en de exacte locatie van het terras mag worden verwezen naar een terrasvergunning.

 

Overigens werden de terrassen bij horecabedrijven tot 1 november 2000 niet als terras vermeld op de drank- en horecavergunning. De vermelding van het terras is in de wet opgenomen per 1 november 2000.

Vraag

Moet een terras op privé terrein van het horecabedrijf op de DHW-vergunning worden vermeld?

Antwoord

Ja, alle terrassen moeten op de DHW-vergunning worden vermeld.

Vraag

Moet er een voorziening voor het voeren van telefoongesprekken aanwezig zijn in het horecabedrijf?

Antwoord

Nee, de eis dat er een voorziening voor het voeren van telefoongesprekken aanwezig moet zijn in de inrichting is vervallen.

Vraag

Kan de toezichthouder een boeterapport opmaken indien de inrichting niet langer aan de inrichtingseisen voldoet?

Antwoord

Nee, indien er niet langer aan de inrichtingseisen wordt voldaan moet op basis van artikel 31, eerste lid onder b de vergunning worden ingetrokken.

Vraag

Kan een cafetaria naast een afhaalgedeelte, waarin alcoholhoudende drank voor gebruik elders dan ter plaatse wordt verstrekt, ook een vergunde lokaliteit hebben voor gebruik ter plaatse.

Antwoord

Ja, dit is mogelijk mits het vergunde deel een aparte lokaliteit betreft welke afsluitbaar is van het afhaalgedeelte.

Vraag

In het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet is bepaald dat de toiletten zich moeten bevinden in de onmiddellijke nabijheid van de horecalokaliteit. Wanneer is er sprake van ‘in de onmiddellijke nabijheid’?

 

Antwoord

Dit betekent dat de toiletten zonder omwegen of oponthoud op een kleine afstand van de horecalokaliteit gelegen moeten zijn. Om te beoordelen of toiletten zich in de onmiddellijke nabijheid van de horecalokaliteit bevinden moet niet alleen de te overbruggen afstand worden bekeken maar moet ook de ligging van de toiletten en de weg er naar toe worden meegewogen. Voor elke situatie moeten dan ook al deze afwegingen worden gemaakt.

Vraag

Moet het toilet zich in het horecabedrijf bevinden?

Antwoord

Nee, omdat dit in het verleden problemen opleverde bij tijdelijke horeca-inrichtingen en bij horeca-inrichtingen in winkelcentra en warenhuizen is in 2000 bij de totstandkoming van het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet bepaald dat toiletten in de onmiddellijke nabijheid van de horecalokaliteit moeten zijn gesitueerd en niet langer IN de horeca-inrichting.

Vraag

Mogen de deuren van de verbindingslokaliteit tussen een slijterij en een neringruimte gedurende de openingstijden van de slijterij permanent open staan?

Antwoord

Ja, de deuren van de verbindingsruimte mogen gedurende openingstijden open staan.

 

Vraag

Kunnen rolluiken in een verbindingslokaliteit tussen slijterij en een neringruimte ook als deur worden gezien?

Antwoord

Ja, rolluiken kunnen ook als deur worden gezien.

Vraag

Wanneer is er sprake van 1 of van 2 lokaliteiten?

Antwoord

Of er sprake is van 1 of 2 lokaliteiten is bepaald in artikel 1, tweede lid van het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet. In dit artikel wordt namelijk aangegeven dat aan elkaar grenzende ruimten als één lokaliteit worden beschouwd, wanneer zij zijn verbonden door een permanente wandopening met een hoogte van ten minste 2,20 m van de vloer af gemeten en een breedte van ten minste tweederde van de scheidingswand met een minimum van 2,40 m, of slechts zijn gescheiden door een afscheiding van geringere hoogte dan 1.25 m van de vloer af gemeten. In de bijlage wordt een en ander door middel van een schets verduidelijkt.

Vraag

Moet de vergunning van een horecabedrijf worden ingetrokken, als de hoogte-eis voorheen voldeed aan de eisen gesteld in het oude Besluit inrichtingseisen Drank- en Horecawet maar na inwerkingtreding van het nieuwe Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet niet langer aan de daar bepaalde hoogte-eis voldoet?

Antwoord

Nee, indien het horecabedrijf voorheen voldeed aan de hoogte eisen gesteld in het Besluit inrichtingseisen Drank- en Horecawet en niet langer aan de hoogte eisen voldoet gesteld in het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet hoeft de destijds afgeven DHW-vergunning niet te worden ingetrokken. Er is sprake van overgangsrecht.

Vraag

Moet de mechanische ventilatie in de horecalokaliteit gedurende de openingstijden ook in gebruik zijn?

Antwoord

Nee, in het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet is alleen bepaald dat elke horecalokaliteit is voorzien van een rechtstreeks met de buitenlucht in verbinding staande goed werkende mechanische ventilatie-inrichting.

Vraag

Wie stelt de kwalificatienormen voor de voorlichtingsinstructie van de barvrijwilligers vast?

Antwoord

De kwalificatienormen worden vastgesteld door het bestuur van de par commerciële rechtspersoon. De gemeente beoordeelt, tijdens de vergunningverlening, of deze kwalificatienormen voldoende zijn.

Vraag

Als het bestuursreglement niet in de inrichting aanwezig is, is er dan sprake van een overtreding waartegen handhavend kan worden opgetreden?

Antwoord

Ja, er is dan sprake van een overtreding van artikel 9, vierde lid. In artikel 44a, eerste lid is bepaalt dat de burgemeester een bestuurlijke boete kan opleggen bij overtreding van artikel 9 vierde lid.

Vraag

Hoe verloopt precies het proces van vergunningverlening bij een paracommerciële instelling? Wordt daarbij doorgaans de aanvraag of het conceptbesluit ter inzage gelegd?

Antwoord

De reguliere horeca moet, bij een vergunningsaanvraag van een paracommerciële instelling, worden beschermd tegen vormen van ongewenste concurrentie door deze instelling.

Daarom is in artikel 6 DHW een voorziening getroffen om het belanghebbende horecaondernemers mogelijk te maken tijdig te ageren tegen een te verlenen drank- en horecavergunning aan een paracommerciële instelling om daarmee te voorkomen dat commerciële belangen mogelijk worden geschaad.

Voordat een drank- en horecavergunning kan worden verleend aan de paracommerciële instelling, moet de procedure worden gevolgd zoals opgenomen in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.

Het gaat hier dus alleen om de voorbereiding van een beslissing tot verlening van een vergunning. Wanneer het voornemen bestaat om de vergunning te weigeren, in te trekken of te wijzigen, dan geldt deze procedure niet. De procedure geldt ook niet wanneer het aanhangsel, behorende bij de al verleende drank- en horecavergunning, moet worden gewijzigd.

Het toepassen van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure houdt in dat wanneer de burgemeester tot het oordeel is gekomen dat de aangevraagde drank- en horecavergunning kan worden verleend, eerst de concept-vergunning, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, zes weken ter inzage moet worden gelegd. De termijn begint met ingang van de dag waarop het ontwerp ter inzage is gelegd.

Voorafgaand aan deze terinzagelegging geeft de burgemeester in een of meer dag-, nieuws-, of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze kennis van de conceptvergunning. In die kennisgeving kan worden volstaan met het vermelden van de zakelijke inhoud.

In de genoemde kennisgeving vermeldt de burgemeester vervolgens:

  1. waar en wanneer de stukken ter inzage zullen liggen;
  2. wie in de gelegenheid worden gesteld om zienswijzen naar voren te brengen;
  3. op welke wijze dit kan geschieden;

Indien het besluit tot een of meer belanghebbenden zal zijn gericht, zendt het bestuursorgaan voorafgaand aan de terinzagelegging het ontwerp toe aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

Belanghebbenden kunnen vervolgens bij de burgemeester naar keuze schriftelijk of mondeling hun zienswijze over de conceptvergunning naar voren brengen. Door de burgemeester kan worden bepaald dat ook aan anderen de gelegenheid moet worden geboden hun zienswijze naar voren te brengen. De burgemeester stelt de aanvrager van de vergunning zo nodig in de gelegenheid te reageren op de naar voren gebrachte zienswijzen.

Indien het een besluit op aanvraag betreft waarop zienswijzen kenbaar zijn gemaakt, dan neemt de burgemeester een besluit op de aanvraag, gehoord de zienswijzen, zo spoedig mogelijk, maar in ieder geval uiterlijk zes maanden na ontvangst van de aanvraag.

Wanneer er geen zienswijzen naar voren zijn gebracht, dan neemt de burgemeester het besluit tot verlening van de aangevraagde drank- en horecavergunning in dat geval binnen vier weken nadat de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen is verstreken.

De verleende vergunning wordt ter inzage gelegd en gepubliceerd.

In artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht staat vervolgens beschreven dat geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen naar voren heeft gebracht zoals beschreven in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, geen bezwaar heeft gemaakt of geen administratief beroep heeft ingesteld.

Kortom, wanneer een belanghebbende per ongeluk vergeet om tijdig zienswijzen kenbaar te maken tegen een concept-drank- en horecavergunning aangevraagd door een par commerciële instelling, dan verspeelt deze belanghebbende daarmee zijn rechten op beroep.

Vraag

Een VOF wordt geëxploiteerd door twee vennoten. Een van de vennoten heeft de leeftijd van 21 nog niet bereikt. Kan nu de vergunning verleend worden aan de enige vennoot die wel de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt?

Antwoord

Nee, een vennoot is altijd een leidinggevende en dient dus aan de eisen als gesteld in artikel 8 te voldoen. Een aanvraag van deze VOF zal dus geweigerd moeten worden.

Vraag

Een leidinggevende is zijn verklaring Sociale Hygiëne kwijt. Wat moet hij/zij nu doen?

Antwoord

Hij/zij kan zich wenden tot de Stichting Vakbekwaamheid Horeca (SVH) te Zoetermeer met het verzoek om te bevestigen dat uit hun administratie blijkt dat destijds de verklaring is afgegeven.

Vraag

Een leidinggevende heeft in het verleden een ander diploma, bijvoorbeeld een koksopleiding behaald. Is dat voldoende of moet hij/zij ook nog een verklaring Sociale Hygiëne hebben?

Antwoord

Het diploma kan  worden getoetst worden bij het SVH. Indien aan de vereisten wordt voldaan ontvangt hij/zij een verklaring sociale hygiëne.

Vraag

Een leidinggevende heeft een opleiding genoten in het buitenland. Is dat voldoende of moet hij /zij toch een verklaring Sociale Hygiëne halen?

Antwoord

Het diploma kan worden getoetst bij de SVH. Indien aan de vereisten wordt voldaan ontvangt hij/zij een verklaring sociale hygiëne.

Vraag

Moeten alle bestuursleden van een paracommerciële instelling voldoen aan de in artikel 8 gestelde eisen?

Antwoord

Nee, als een paracommerciële rechtspersoon het horecabedrijf uitoefent, voldoen ten minste twee leidinggevenden aan de bij of krachtens dit artikel gestelde eisen. Dit mogen maar hoeven niet de bestuursleden te zijn.

Vraag

Kan een vennoot van een vennootschap onder firma (VOF) ook aangeven dat hij geen leidinggevende is omdat hij geen bemoeienis heeft met het bedrijf?

Antwoord

De burgemeester zal moeten beoordelen of de vennoot door middel van zijn verklaring aannemelijk heeft gemaakt dat hij daadwerkelijk geen bemoeienis heeft met het bedrijf. Dit is in principe echter niet aannemelijk in het geval van een VOF. Als de vennoot een van de navolgende werkzaamheden verricht is sprake van leidinggeven:

  • het bepalen van het inkoopbeleid
  • het vaststellen van de prijzen
  • het doen van investeringen en het regelen van de financieringen
  • het afsluiten van overeenkomsten
  • toezicht op en het voeren van de administratie
  • het personeelsbeleid
  • maken van reclame en het verzorgen van de correspondentie
  • budgetbewaking
  • vaststelling van de dagelijkse werkverdeling
  • uitoefening dagelijkse toezicht op het personeel
  • behandeling van klachten
  • zorg voor aanvulling van de voorraden
  • controle op dagelijkse inkomsten en uitgaven
  • bijhouden van dagelijkse boekhouding

Vraag

Wat wordt verstaan onder het begrip ‘in de onmiddellijke nabijheid’ in artikel 7 derde lid?

Antwoord

In de drank- en horecawet is ‘onmiddellijke nabijheid’ niet gedefinieerd. Van Dale geeft voor het woord nabijheid de uitleg: ‘directe omgeving’. De NVWA hanteert twee criteria. Ten eerste mag er geen enkel misverstand bestaan over de vraag bij welke besloten ruimte het terras behoort. Ten tweede moet het altijd mogelijk blijven om het terras vanuit de besloten ruimte van dranken te voorzien.

 

Vraag

Na het verlenen van een drank- en horecavergunning wordt geconstateerd dat het gebruik als horecabedrijf op die locatie in strijd is met het geldende bestemmingsplan. Kan deze drank- en horecavergunning op die grond weer worden ingetrokken?

Antwoord

Het feit dat een horecabedrijf is gevestigd in strijd met het bestemmingsplan, is géén intrekkingsgrond voor de verleende drank- en horecavergunning. De intrekkingsgronden staan opgesomd in artikel 31 van van de Drank- en Horecawet. Wanneer wordt voldaan aan de eisen om in aanmerking te komen voor een drank- en horeavergunning, dan moet de vergunning worden verleend.

Dat echter strijdigheid bestaat met het geldende bestemmingsplan is in deze beoordeling niet relevant.

Natuurlijk moet in een intakegesprek met de ondernemer al duidelijk worden wat hij wil en zal op dat moment al moeten worden geoordeeld of hier sprake is van strijdigheid met het bestemmingsplan. Wanneer dat het geval is, zal eerst een bestemmingsplanprocedure moeten worden gevolgd om vestiging op die locatie mogelijk te maken. Pas daarna is het zinvol om een drank- en horecavergunning aan te vragen. Gebeurt dat niet, dan moet de drank- en horecavergunning worden verleend en kan handhavend worden opgetreden wegens strijdigheid met het bestemmingsplan.

Vraag

Wanneer een horecbedrijf wordt geexploiteerd door een vennootschap onder firma, hoe moet dat dan op de drank- en horecavergunning worden vermeld?:

Antwoord

Een vennootschap onder firma is geen rechtspersoon. Het betreft een natuurlijk persoon. Dat betekent dat alle vennoten als natuurlijke personen op de vergunning moeten worden vermeld.

Vraag

Binnen welke termijn moet een aanvankelijk ingeleverde niet complete aanvraag om vergunning worden aangevuld met de nog ontbrekende gegevens?

Antwoord

De lengte van deze termijn is niet in een wet vastgelegd, die bepaalt het bestuursorgaan zelf. Een redelijke termijn van aanvulling is twee weken (zie art. 4:5 lid 1 Algemene wet bestuursrecht). De termijn is uiteraard afhankelijk van de nog in te leveren documenten en ook van de vraag of de aanvrager deze documenten zelf kan verstrekken of dat daarvoor informatie moet worden opgevraagd bij derden (advocaat, accountant, andere overheidsinstantie (bijvoorbeeld een verklaring omtrent het gedrag) of documenten vanuit het buitenland moeten worden opgestuurd.

Vraag

Moet een terras in een winkelcentrum fysiek afgebakend zijn?

Antwoord

Nee, het terras hoeft niet fysiek afgebakend te zijn. Op de vergunning moet, naast het oppervlakte van het terras, wel duidelijk omschreven zijn waar het terras gesitueerd is.

Vraag

Is bij afgifte van het aanhangsel naar aanleiding van de wijziging van leidinggevenden afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing?

Antwoord

Nee, bij de afgifte van het aanhangsel op grond van artikel 3 voor het horecabedrijf aan een paracommerciële rechtspersoon is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

Vraag

Hoe kan de gemeente handhaven als voorschriften en beperkingen op basis van artikel 4 worden overtreden?

Antwoord

De burgemeester kan op drie manieren handhaven. Naast de mogelijkheid om een bestuurlijke boete op te leggen voor overtreding van artikel 4 (artikel 44a, eerste lid) kan hij de vergunning in trekken (artikel 31, tweede lid) dan wel schorsen (artikel 32, eerste lid).

Vraag

Moet de gemeente in de verordening ook een strafbaarheidstelling opnemen?

Antwoord

Nee, dit is niet nodig. In artikel 44a, eerste lid is reeds bepaald dat de burgemeester een bestuurlijke boete kan opleggen bij overtreding van het in de verordening bepaalde.

Vraag

Moet een zuipkeet beschikken over een Drank- en Horecavergunning?

Antwoord

Dat is afhankelijk van het karakter en het gebruik van de zuipkeet. Een keet die voor het publiek toegankelijk is (dus niet alleen een vriendengroep) en waar alcohol verstrekt wordt tegen betaling (valt ook de melkbus e.d. onder) moet een Drank- en Horecavergunning hebben, maar zal naar alle waarschijnlijkheid niet aan de vergunningsvoorwaarden kunnen voldoen.

Vraag

Kan een drank- en horecavergunning worden gewijzigd?

Antwoord

Ja, een drank- en horecavergunning kan worden gewijzigd in twee situaties.

Ten eerste kan een vergunning worden gewijzigd wanneer een inrichting een zodanige verandering ondergaat dat zij niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning gegeven omschrijving. In dat geval moet de vergunninghouder verplicht de bedoelde wijziging binnen één maand bij de burgemeester melden. De burgemeester verstrekt, indien nog aan de ten aanzien van de inrichting gestelde eisen wordt voldaan, een gewijzigde vergunning, waarin de ingevolge artikel 29 vereiste omschrijving is aangepast aan de nieuwe situatie. Dit is geregeld in artikel 30 van de Drank- en Horecawet.

In de praktijk betekent dit dat de gemeente (vaak afdeling Bouwtoezicht) ter plaatse gaat beoordelen of de nieuwe situatie voldoet aan de eisen zoals vermeld in het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet. Wanneer daaraan wordt voldaan, dan zal de burgemeester een gewijzigde vergunning verstrekken.

Ten tweede kan het ook voorkomen dat een nieuw persoon wil gaan werken als leidinggevende. Deze persoon staat echter niet op het aanhangsel behorende bij de drank- en horecavergunning. Dat betekent dat de vergunninghouder deze nieuwe leidinggevende op grond van het bepaalde in artikel 30a, lid 1 van de Drank- en Horecawet meldt bij de burgemeester. Deze melding geldt als aanvraag tot wijziging van het genoemde aanhangsel. Deze melding kan worden gesteld op een formulier of een elektronische informatiedrager. De burgemeester bevestigt onverwijld schriftelijk of elektronisch de ontvangst van de aanvraag en zal deze verder in behandeling nemen. Wanneer deze nieuwe leidinggevende voldoet aan de vereisten van artikel 8 van de Drank- en Horecawet en er geen aanleiding is om de wijziging te weigeren in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, dan kan deze nieuwe leidinggevenden worden vermeld op een nieuw aanhangsel. Dit aanhangsel vervangt het vorige aanhangsel.

Vraag

Bij een kapsalon wordt aan de bezoekers een wijntje aangeboden. Wat kan ik als toezichthouder ten laste leggen?

Antwoord

De kapsalon kan nooit een Drank- en Horecavergunning krijgen, i.v.m. de dienstverlening die in de kapsalon plaats vindt. Derhalve is het ontbreken van een vergunning niet aan de orde. Wel wordt in de kapsalon in strijd gehandeld met artikel 25, tweede lid van de Drank- en Horecawet.

Vraag

In een winkel in een hotel wordt sterke drank verkocht voor gebruik elders dan ter plaatse. Is dit toegestaan?

Antwoord

Nee, de winkel is geen slijterij. Sterke drank mag op grond van artikel 25, eerste lid, onder a DHW, dan ook niet aanwezig zijn.

Vraag

Mag alcoholhoudende drank, bestaande uit sterke drank en alcoholvrije drank, welke gemixed wordt achter de bar (zogenaamde postmix), verstrekt worden aan een persoon van 17 jaar?

Antwoord

Nee, dat mag niet. Een postmix wordt gezien als sterke drank. Voor alle alcoholhoudende dranken, dus ook voor sterke drank, geldt een leeftijdsgrens van 18 jaar.

Vraag

Valt een partyboot onder de uitzondering genoemd in artikel 1, derde lid onder a?

Antwoord

Een permanent aangemeerde boot valt niet onder de uitzondering genoemd in artikel 1, derde lid. Indien een passagiersschip van april tot oktober voor vakantiereizen wordt gebruikt en van oktober tot april aan de wal ligt, zou het voor de laatste periode als “een permanent aan de wal gemeerd schip” kunnen worden aangemerkt. In dat geval  is hier een DHW-vergunning vereist.

Vraag

Wat zijn rechtspersonen?

Antwoord

Rechtspersonen worden genoemd in hoofdstuk 2 van het Burgerlijk wetboek Artikel 3: Verenigingen, coöperaties, onderlinge waarborgmaatschappijen, naamloze vennootschappen, besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid en stichtingen bezitten rechtspersoonlijkheid. Artikel 2, lid 1: Kerkgenootschappen alsmede hun zelfstandige onderdelen en lichamen waarin zij zijn verenigd, bezitten rechtspersoonlijkheid. Artikel 1, lid 1 De Staat, de provincies, de gemeenten, de waterschappen, alsmede alle lichamen waaraan krachtens de Grondwet verordenende bevoegdheid is verleend, bezitten rechtspersoonlijkheid. Tweede lid: Andere lichamen, waaraan een deel van de overheidstaak is opgedragen, bezitten slechts rechtspersoonlijkheid, indien dit uit het bij of krachtens de wet bepaalde volgt.

Vraag

Mag een slijtersbedrijf speelgoed verkopen?

Antwoord

Nee, enkel het bedrijfsmatig aan particulieren verkopen van drinkglaswerk, schenkmandjes, kurkentrekkers, wijnrekjes, afsluitmiddelen voor flessen, koolzuurflessen, koolzuurcapsules, wijnkoelers, shakers, draagtassen, koelboxen en -tassen, onderzetters, papieren servetten, cocktailprikkers, schenkkurken, voorlichtingsmaterialen over wijn, cocktails, longdrinks en borrelhapjes en van andere dergelijke voorlichtingsmaterialen, een en ander voor zover die verkoop geen overwegend bestanddeel van de bedrijfsuitoefening in de inrichting uitmaakt, is toegestaan. Ook mag er verhuur plaatsvinden van biertapinstallaties, drinkglaswerk en party-meubilair, eveneens voor zover die verhuur gen overwegend bestanddeel van de bedrijfsuitoegening in die inrichting uitmaakt.

Vraag

Welke leidinggevenden moeten op een dh-vergunning voor een paracommerciele instelling worden vermeld?

Antwoord

Artikel 1 bevat de feitelijke definitie van leidinggevenden.

Artikel 8 geeft alleen maar aan dat slechts twee van de leidinggevenden aan de eisen hoeven te voldoen bij paracommerciele instelligen; dat betekent niet dat de andere bestuurleden geen leidinggevende zullen zijn.

Artikel 24, lid 2 geeft aan dat aanwezig moet zijn een leidinggevende die op het aanhangsel staat of daarvoor is aangemeld of  de barvrijwilliger.

Artikel 29 schrijft voor dat de leidinggevenden op het aanhangsel van de vergunning moeten worden vermeld, dus bij een paracommerciele instelling ook de leidinggevenden die aan geen enkele eis hoeven te voldoen. Kan ook wel handig zijn als de gemeente precies weet wie nou allemaal feitelijk de verantwoordelijkheid dragen binnen de vereniging of stichting. Voor een paracommerciele instelling betekent dat voor wat betreft de aanwezigheidsplicht nog een extra voordeel.

De praktijk zal wel zo zijn dat alleen de volledig getoetsten op de vergunning komen.

Vraag

Een slijterij heeft een uitstalling van zwak-alcoholhoudende dranken. Ik weet dat het niet mag, maar welk artikel dien ik te gebruiken?

Ik ga namelijk een waarschuwingsbrief opstellen en moet uiteraard het overtreden artikel benoemen.

Artikel 12 lid 2 gaat over sterke drank (in slijtlokaliteit), maar hoe zit het met zwakke dranken?

Antwoord

Het betreft een slijter met een drank- en horecavergunning. In artikel 1 staat de definitie van een slijter en ook van een slijtlokaal. Een slijtersbedrijf betreft de activiteit bestaande uit het bedrijfsmatig of anders dan om niet aan particulieren verstrekken van sterke drank voor gebruik elders dan ter plaatse, al dan niet gepaard gaande met het bedrijfsmatig of anders dan om niet aan particulieren verstrekken van zwak-alcoholhoudende en alcoholvrije drank voor gebruik elders dan ter plaatse of met het bedrijfsmatig verrichten van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen andere handelingen.

Waar mag dat verstrekken plaatsvinden? Dat gebeurt in een slijterslokaal dat onderdeel is van de slijtinrichting. Dat is een van een afsluitbare toegang voorziene lokaliteit, onderdeel uitmakend van of samenvallend met een inrichting waarin het slijtersbedrijf wordt uitgeoefend, in ieder geval bestemd voor het verstrekken van sterke drank voor gebruik elders dan ter plaatse. Een inrichting is in dit kader het slijtlokaal waarin het slijtersbedrijf wordt uitgeoefend.

Een slijtersbedrijf verstrekt dus altijd alcoholhoudende drank voor gebruik elders dan ter plaatse in een slijtlokaal. Voor sterke drank is dat nog eens expliciet gemeld in artikel 12, lid 2 DHW, in artikel 18, lid 1 staat aangegeven dat het is verboden in de uitoefening van een ander bedrijf dan het slijtersbedrijf zwak-alcoholhoudende drank voor gebruik elders dan ter plaatse aan particulieren te verstrekken. Zoals hiervoor aangegeven bestaat een slijtersbedrijf uit lokalen en moet dus in dat lokaal de alcoholhoudende dranken worden verstrekt voor gebruik ter plaatse.

Wanneer de slijter alcoholhoudende dranken aanwezig heeft in een (openbare) ruimte gelegen voor het slijtersbedrijf zijn er drie zaken van belang:

  1. wanneer er sprake is van geconstateerde verstrekking van sterke drank (de verstrekking moet dus waargenomen worden), dan wordt artikel 12, lid 2 DHW overtreden.
  2. wanneer er sprake is van geconstateerde verstrekking van zwak-alcoholhoudende dranken (de verstrekking moet ook hier waargenomen worden), dan wordt artikel 18, lid 1 DHW overtreden.
  3. wanneer er geen enkele sprake is van geconstateerde verstrekking van alcoholhoudende drank (de alcoholhoudende drank staat daar gewoon en de klant of de slijter neemt deze drank mee naar binnen om af te rekenen, dan wordt er niet “verstrekt” buiten de slijtlokaliteit, deze drank is er slechts aanwezig.

Echter, dan is sprake van een overtreding van het bepaalde in artikel 25, lid 1 onder a DHW omdat de slijter (dus in die openbare ruimte) geen slijtersbedrijf uitoefent (dat doet de ondernemer alleen binnen in het slijtlokaal). Aldus wordt, anders dan in de rechtmatige uitoefening van het slijtersbedrijf, een (openbare) ruimte voor het publiek geopend gehouden en in die ruimte is het verboden om alcoholhoudende drank aanwezig te hebben. Boete: zie Bijlage Besluit bestuurlijke boete DHW, categorie C: € 1.380,-.

Vraag

Is het ook mogelijk om voor één inrichting, twee afzonderlijke (paracommerciële) horecavergunningen te verlenen? We hebben te maken met een kantine, die door 2 verschillende verenigingen wordt gebruikt. Allebei willen ze ook alcoholhoudende drank schenken, dus moeten ze beschikken over een horecavergunning. Of moeten ze een gezamenlijke stichting of zo opzetten om van dezelfde (paracommerciële) horecavergunning gebruik te kunnen maken?

Antwoord

Het is vanuit de Drank- en Horecawet bezien geen enkel probleem om meerdere drank- en horecavergunningen af te geven op hetzelfde adres. De beide leidinggevenden van de beide paracommerciële instellingen moeten voldoen aan de eisen van artikel 8 DHW en uiteraard moet worden voldaan aan de inrichtingseisen. Wanneer daaraan wordt voldaan en aan alle andere eisen van de wet, dan kan voor beide instellingen een aparte dh-vergunning worden verleend voor hetzelfde adres. Iedere rechtspersoon moet wel in het bezit zijn van een geldige DHW-vergunning. In verband met het toezicht moet het duidelijk zijn wie wanneer het horecabedrijf uitoefent en dus verantwoordelijk is.

Vraag

Bij het opstellen van het sanctiebeleid stuit ik op het volgende.

Artikel 44a, lid 1 DHW stelt dat de burgemeester een bestuurlijke boet op kan leggen in geval van bijv. overtreding artikel 38 DHW. De boete daarop is bepaalt in de bijlage van het Besluit bestuurlijke boete DHW. Daar is artikel 38 echter niet genoemd.

Vanwege het feit dat het artikel aldaar niet wordt genoemd is strafrechtelijk optreden de aangewezen weg, aldus de Richtlijn voor strafvordering Drank- en Horecawet, alwaar artikel 38 wel is genoemd onder D. Echter volgens Publicatie Nr. 21804 in de Staatscourant van 31 juli 2013 (incl. Rectificatie van 2 augustus 2013) is deze Richtlijn per 31 -7-2013 onmiddellijk ingetrokken!

Hoe nu verder?

Antwoord

In de memorie van toelichting op de wijziging van de Drank- en Horecawet heeft de minister zich nadrukkelijk uitgesproken om niet zozeer de strafrechtelijke weg te kiezen bij handhaving, maar de bestuursrechtelijke weg. Komt erop neer dat aan die richtlijn geen behoefte meer bestaat, omdat vrijwel alles bestuursrechtelijk wordt afgedaan.

Artikel 45 is inmiddels ingeregeld in het feitenboekje (feit code E 211). Overige strafrechtelijke bepalingen zoals openbare dronkenschap komen in aanmerking voor maatwerk van het OM.

Het opgeven van onvolledige of onjuiste informatie zoals bedoeld in artikel 38 DHW impliceert overigens dat zaken anders worden voorgesteld dan dat ze werkelijk zijn. Wanneer dat het geval blijkt, is, voor zover het om een vergunningsaanvraag gaat, het bepaalde in artikel 27, lid 1 aanhef onder b DHW van toepassing en kan op grond daarvan de vergunning worden geweigerd.

Is het de gemeente bij de beoordeling en afhandeling van de aanvraag om vergunning niet opgevallen dat onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt, maar wel op een later moment, liggend ná de vergunningverlening, dat is het gespiegelde artikel van toepassing. Dan kan de eerder verleende vergunning weer worden ingetrokken op grond van het bepaalde in artikel 31, lid 1 aanhef onder a.

Wanneer de burgemeester echter een bestuurlijke boete op wil leggen na een overtreding van artikel 38, dan mist u de hoogte van het boetebedrag zoals opgenomen in de bijlage behorende bij het Besluit Bestuurlijke boete DHW. Het betreft hier een wetgevingsfoutje die mogelijk door een aankomende Veegwet zal worden hersteld.

 

NOOT – per 1 december 2014 is een Reparatiebesluit genomen en is deze omissie hersteld.

Vraag

Is voor een slagerij uitsluitend een DHW-vergunning nodig als hij bij zijn cateringactiviteiten sterke drank levert?

Antwoord

Wanneer een slagerij tevens een partijencateringbedrijf exploiteert, is het bepaalde in artikel 19 DHW van toepassing. In genoemd artikel 19, lid 1 is bepaald dat een partijen-cateringbedrijf gelegenheid mag bieden tot het doen van bestellingen voor sterke drank en sterke drank op bestelling af te leveren of te doen afleveren aan huizen van particulieren. Onder partijen-catering wordt verstaan het, gepaard gaande met dienstverlening, bedrijfsmatig verstrekken van gerechten en dranken voor gebruik bij besloten partijen op een door een opdrachtgever te bepalen plaats, die slechts incidenteel beschikbaar is voor dergelijke partijen.

Als voldaan wordt aan voornoemde onderstreepte voorwaarden, is het geen vergunning nodig en mag sterke drank worden verstrekt. Verzorgt dit cateringbedrijf steeds op de zelfde plek de gerechten en de alcoholhoudende dranken, dan moet voor die locatie een drank- en horecavergunning worden aangevraagd of moet er voor die locatie een dh-vergunning zijn afgegeven.

Vraag

Artikel 1 van de DHW bevat onder meer de begripsbepaling ‘slijtersbedrijf’. De daarin genoemde handelingen zijn nader uitgewerkt in het Besluit aanvulling omschrijving slijtersbedrijf. Het opschrift van dit Besluit verwijst naar artikel 3, lid 3 van de DHW. Later wordt nogmaals verwezen naar artikel 3, derde, vierde en vijfde lid van de DHW. Het huidige artikel 3 van de DHW kent genoemde leden echter niet meer.

Is het Besluit aanvulling omschrijving slijterbedrijf nu – de basis ontbreekt – nog wel geldig?

Antwoord

Op 13 april 2000 is de Wet tot wijziging van de Drank- en Horecawet vastgesteld (Stb. 184). De betreffende integrale tekst van de toen nieuwe Drank- en Horecawet is in dat kader ook in het Staatsblad geplaatst (Stb. 2000, 185).  De toenmalige wijziging van de Drank- en Horecawet had tot gevolg dat diverse besluiten krachtens de Drank- en Horecawet aangepast moesten worden, waaronder het Besluit aanvulling omschrijving slijtersbedrijf.

In het Besluit van 11 oktober 2000, houdende wijziging van het Besluit aanvulling omschrijving slijtersbedrijf, wordt in de betreffende toelichting dan ook opgemerkt dat, als gevolg van de vernummering van de artikelen van de Drank- en Horecawet, de verwijzing in de aanhef van het Besluit aanvulling omschrijving slijtersbedrijf naar artikel 3, derde, vierde en vijfde lid, van de Drank- en Horecawet gelezen dient te worden als een verwijzing naar artikel 1, eerste lid, van deze wet.

Kortom, alles is goed geregeld alleen is dat niet altijd duidelijk als je alleen kijkt naar de aanhef van het Besluit aanvulling omschrijving slijtersbedrijf. Je moet dan eigenlijk ” onder water”  kijken.

Vraag

Hoeveel toezichthouders heeft mijn gemeente nodig om het DHW-toezicht uit te kunnen voeren?

Antwoord

De benodigde toezichtcapaciteit kunt u bepalen op basis van  een handhavingsplan voor uw gemeente. In het handhavingsplan bepaalt u:

  • het aantal controles per jaar
  • het soort controles (basiscontrole, leeftijdsgrenzencontrole)
  • de duur van de controles
  • of de controles worden gecombineerd met andere controles
  • of de controles alleen of in duo worden uitgevoerd, etc.

Het is van belang zo mogelijk meer dan 1 persoon aan te wijzen voor deze taak, in verband met vervanging en eventuele duo-controles.

Voorbeeldberekening
Stel uw gemeente heeft 300 alcoholverkopende bedrijven (horeca, supermarkten, slijterijen, sportkantines, evenementen, cafetaria’s, etc.); waarvan 50 leeftijdsgrenzen hotspots (bedrijven waar jongeren alcohol proberen te kopen).

Uw gemeente heeft het volgende jaarplan:

  • bij ieder bedrijf 1x per jaar een basiscontrole uitvoeren
  • bij de hot spots 4x een leeftijdsgrenzencontrole uitvoeren

Gemiddelde duur van de typen controles (op basis van ervaringen NVWA):

  • basiscontrole: ½ uur
  • leeftijdsgrenzencontrole: 1½ uur

Voor de uitvoering van de controles op basis van het jaarplan is nodig:

  • basiscontroles 150 uur
  • leeftijdsgrenzencontroles 300 uur

Totaal is dit dus 450 uur aan controle-uren.

Verder moet u met het volgende rekening houden:

  • voor de administratietijd (bijvoorbeeld het schrijven van boeterapporten) en de reistijd moet aanvullend tijd worden gereserveerd.
  • veelal worden leeftijdsgrenzencontroles (zeker in de nachtelijke uren en tijdens evenementen) in duo uitgevoerd. Hiervoor moet aanvullend tijd worden gereserveerd.
  • bij deze berekening is geen rekening gehouden met de mogelijkheid dat de DHW-controles gecombineerd kunnen worden met andere controles. Hierdoor kan tijd worden bespaard.

Back office
Naast de toezichtcapaciteit (front office) moet u ook rekening houden met extra capaciteit in de back office: voor juridische medewerkers, voor vergunningverleners en voor het in kaart brengen van hot spots e.d.

Vraag

Bij ons ligt de vraag van de plaatselijke speelcasino om ook een ruimte te mogen gebruiken voor het Bingo spel.

Dat zal dus een commerciële bingo zijn. Volgens de Wet op de Kansspelen valt bingo onder een klein kansspel. Hierbij wordt echter vermeld dat dit alleen door een vereniging mag worden georganiseerd en de opbrengst moet gaan naar een genoemd, niet met het algemeen belang strijdig doel.

Doel van dit casino is natuurlijk puur commercieel. Mag dit casino dus bingo’s houden?

Antwoord

Volgens artikel 7d
 van de wet wordt als klein kansspel aangemerkt het kienspel (bingo), vogelpiekspel, rad van avontuur en vergelijkbare, bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen vormen van kansspel.

Bingo is een klein kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de kansspelen. Er moet aan vier voorwaarden worden voldaan wil er sprake zijn van een bingo.

  1. Een bingo kan uitsluitend worden georganiseerd door een Nederlandse vereniging die ten minste drie jaar bestaat.
  2. Deze vereniging heeft een krachtens de statuten duidelijk omschreven doel, niet zijnde de organisatie van kansspelen.
  3. De bingo moet georganiseerd worden ten bate van het algemeen belang en het doel mag niet in strijd zijn met het algemeen belang.
  4. De prijzen of premies in geld of goederen, die door de deelnemers aan het spel kunnen worden verkregen mogen per spelronde/serie of set niet meer bedragen dan € 400,– en de gezamenlijke waarde daarvan mag niet meer bedragen dan € 1.550,- per bijeenkomst.

Alhoewel in artikel 7d van de Wok staat vermeld dat alleen een vereniging mag organiseren, blijkt uit een uitspraak van de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State van 15 april 1986 (AB 1986/457) dat ook een stichting bingo’s mag organiseren, Een stichting, zo stelt de Afdeling onderscheidt zich materieel weinig of niet van een vereniging, voor zover wel wordt voldaan aan het overige bepaalde in genoemd artikel 7d.

Het organiseren van een bingo is niet aan een vergunning gebonden. Wel moet de bingobijeenkomst uiterlijk veertien dagen van tevoren worden aangemeld bij de gemeente. De gemeente heeft de bevoegdheid om voorschriften voor zo’n bijeenkomst vast te stellen. Die worden dan opgenomen in een beleidsdocument of in een gemeentelijke verordening.

Bingo’s die niet aan de vier hiervoor beschreven voorwaarden voldoen, waaronder commerciële, bedrijfsmatige bingo’s, zijn in geen geval kleine kansspelen en vallen dus onder de vergunningplicht van artikel 1 van de Wok. Zonder vergunning is een commerciële bingo een illegaal kansspel.

Overtreding is strafbaar.

Vraag

Wij hebben hier een multifunctioneel centrum zonder sporthal, maar de beheerder verdient daar gewoon zijn geld mee en heeft ook medewerkers in dienst. Hij heeft een commerciële vergunning gekregen en dit is al sinds jaren zo. Een commercieel horecabedrijf past niet in de bestemming. Nu worden in dit gebouw wel sociaal-culturele activiteiten gehouden.

Mijn vraag is: kun je aan iemand die zijn geld ermee verdient een paracommerciële vergunning verlenen? Ik kan dit eigenlijk nergens terugvinden. Mijn gevoel zegt dat dit niet kan. Het gebouw is kortgeleden verbouwd en de beheerder moet dus nu een nieuwe vergunning aanvragen. N.a.v. een aantal activiteiten is er een klacht binnengekomen van een horecabedrijf. Op dit moment kan er alleen gehandhaafd worden op het bestemmingsplan, volgens ons. Zou dit opgelost kunnen worden door nu een paracommerciële vergunning te verlenen?

Antwoord

In artikel 1 van de Drank- en Horecawet staat, onder de begrippen vermeld, wat een paracommerciële instelling is. Een dergelijke instelling moet zich richten op recreatieve, educatieve, sportieve, sociaal-culturele of godsdienstig-levensbeschouwelijke activiteiten en kan alleen maar een stichting, vereniging, kerkgenootschap of overheidsorgaan zijn.

De activiteiten van de door jou genoemde ondernemer zijn gericht op het exploiteren van een horecabedrijf. Dat is aldus geen paracommerciële activiteit. De ondernemer kan dus geen vergunning krijgen voor de uitoefening van een paracommerciële instelling. Vervelend dat dit in strijd is met het bestemmingsplan, maar strijdigheid met een bestemmingsplan is geen toetsingsgrond voor het verlenen of intrekken van een drank- en horecavergunning.

Je geeft aan dat er enige verbouwingen hebben plaatsgehad en dat er daarom mogelijk een nieuwe drank- en horecavergunning moet worden aangevraagd die dan mogelijk op dat moment kan worden omgezet naar een “paracommerciële vergunning”.

Dat is niet zo.

Wanneer er bouwtechnische wijzigingen plaatsvinden in een horecabedrijf met een drank- en horecavergunning, moet de ondernemer dat melden op basis van artikel 30 Drank- en Horecawet. Wanneer ten aanzien van die verbouwingen wordt voldaan aan de eisen in het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet, dan wordt geen nieuwe, maar een gewijzigde vergunning verleend door de burgemeester op grond van genoemd artikel 30. Ook hier speelt eventuele strijdigheid met het bestemmingsplan geen enkele rol.

Dat er echter strijdigheid met het bestemmingsplan is, is natuurlijk wel een probleem. Echter, het lijkt erop dat die strijdigheid ook al bestond toen de ondernemer een drank- en horecavergunning is verleend. Dus had de gemeente op dat moment moeten aangeven dat er strijdigheid met het bestemmingsplan was. Nu, jaren later, kun je niet ineens handhavend gaan optreden. Een rechter zal dan vragen waarom dat niet eerder is gedaan. Voorts zal je eerst eens moeten bezien of die strijdigheid niet kan worden opgeheven door het bestemmingsplan aan te passen aan de nu nog strijdige situatie.

Vraag

Wat is de basis voor het verbieden van alcohol tijdens een kofferbakverkoop?

Antwoord

Er van uitgaande dat de kofferbakverkoop plaatsvindt op de openbare weg of in/op een voor het publiek toegankelijke ruimte en dat deze verkoop van alcoholhoudende dranken plaatsvindt door de verkoop van flessen/blikken in een gesloten verpakking, voor gebruik elders dan ter plaatse, dan geldt het volgende.

Bij deze kofferbakverkoop bestaat de situatie dat er bedrijfsmatig alcoholhoudende dranken in gesloten verpakking worden verstrekt voor gebruik elders dan ter plaatse.

Er is dan geen sprake van een horecabedrijf, maar van een slijtersbedrijf of van een situatie zoals bedoeld in artikel 18 DHW. Verstrekking vindt niet plaats in een sluitlokaal of ruimte zoals bedoeld in artikel 18, lid 2 DHW, maar gewoon buiten.

Zover het gaat om de verstrekking van sterke drank, mag dat alleen plaatsvinden in een slijtersbedrijf met een vergunning voor de uitoefening van het slijtersbedrijf. Een slijtersbedrijf kan alleen worden uitgeoefend in een inrichting (artikel 7, lid 2 DHW). Daarvan is geen sprake bij deze kofferbakverkoop en wordt in die situatie gehandeld in strijd met artikel 3 DHW wegens het ontbreken van een dh-vergunning voor het uitoefenen van het slijtersbedrijf.

Wanneer het gaat om de (kofferbak)verkoop van zwak-alcoholhoudende dranken, wordt artikel 18, lid 1 DHW overtreden. In dit artikellid staat vermeld dat het verboden is in de uitoefening van een ander bedrijf dan het slijtersbedrijf zwak-alcoholhoudende drank voor gebruik elders dan ter plaatse aan particulieren te verstrekken. In het tweede lid wordt een aantal uitzonderingen geformuleerd, maar die zijn in deze situatie niet van toepassing.

Aldus, kan, wanneer het gaat om de verkoop van zwak-alcoholhoudende drank, worden opgetreden wegens overtreding van artikel 18, lid 1 DHW.

Je zult vervolgens in je proces-verbaal / bestuurlijke rapportage / boeterapport moeten aantonen:

  1. Dat er zwak alcoholhoudende drank verstrekt wordt aan particulieren.
  2. Dat de zwak alcoholhoudende drank bestemd is voor gebruik elders dan ter plaatse.
  3. Dat er sprake is van de uitoefening van een ander bedrijf dan het slijtersbedrijf.
  4. Dat er geen sprake is van een uitzonderingssituatie zoals genoemd in artikel 18, lid 2.

Vraag

Tijdens een controle is geconstateerd dat een warenhuis zwak-alcoholhoudende drank, voor gebruik elders dan ter plaatse, ter verkoop aanbiedt aan particulieren. 
Het filiaal voldoet niet aan het uitzonderingsverbod zoals gesteld in artikel 18 lid 2 DHW. Ze hebben nog geen 3 m² vloeroppervlakte (twee rekjes), waarop een gevarieerd assortiment aan verpakte en onverpakte eetwaren wordt verkocht. Het bedrijf is daarop aangeschreven. Nu wil het bedrijf de winkel aanpassen en op diverse plaatsen rekken neerzetten met een gevarieerd assortiment aan verpakte en onverpakte eetwaren. Kan dit of moet het om een afdeling gaan? En moet bij het bepalen van de vloeroppervlakte de gangpaden worden meegerekend?

Antwoord

Volgens artikel 18, lid 2 onder b DHW moet het gaan om een warenhuis met een levensmiddelenafdeling met een vloeroppervlakte van ten minste 15 m² waarop een gevarieerd assortiment aan verpakte en onverpakte eetwaren wordt verkocht. Hier en daar neerzetten op verschillende plekken in de winkel van rekken met eetwaren is dus niet voldoende. Overigens betreft het oppervlak de ruimte inclusief looppaden e.d..

Vraag

Wij hebben een aanvraag voor een restaurant alcohol schenkend en een snackbar. De snackbar is alcoholvrij. Deze 2 lokaliteiten zijn niet gescheiden, je kunt van de ene ruimte naar de andere ruimte lopen.

Mijn vraag is of deze 2 ruimtes fysiek van elkaar gescheiden moeten zijn zo ja is dat dan geregeld in een specifiek wetsartikel ?

 

Antwoord

Wanneer de beide lokalen, dus het restaurant en de snackbar in elkaar overlopen is er feitelijk sprake van 1 groot horecalokaal. Die oppervlakte zou dan op de drank- en horecavergunning moeten komen te staan. Het vervelende is dan dat de snackbar geen producten mag verkopen voor gebruik elders dan ter plaatse zoals blikjes cola o.i.d.. Dit verbod geldt overigens niet voor gerede eetwaren. Verkoop van blikjes cola e.d. wordt gedefinieerd als detailhandel en detailhandel in een horecalokaal of terras is volgens artikel 14, lid 2 DHW verboden. Ontheffing is niet mogelijk.

Dus moet je beide lokalen scheiden op de wijze zoals opgenomen in artikel 1, lid 2 van het Besluit eisen inrichtingen DHW. Daarbij moet rekening worden gehouden met het bepaalde in artikel 15, lid 1 DHW. Dat betekent dat de bereikbaarheid van de snackbar niet zo mag zijn dat je altijd eerst door het restaurantgedeelte (horecalokaal) heen zou moeten. Dat mag alleen als je de snackbar ook kunt bereiken door deze rechtstreeks te betreden.

Vraag

Waarom is bij horeca de eis is gesteld van minimaal 35 m2, en zijn er uitzonderingen mogelijk?.

Antwoord

De eis dat ten minste één horecalokaliteit een vloeroppervlakte moet hebben van tenminste 35 m2  is al lang geleden overgenomen uit het oorspronkelijke Besluit inrichtingseisen Drank- en Horecawet en uit artikel 7.1.13 van het vastgestelde Besluit van 28 oktober 1998, houdende wijziging van het toenmalige Bouwbesluit.

Daarin was bepaald dat ten minste één verblijfsruimte, mede bestemd voor het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van alcoholische consumpties en het gebruik daarvan ter plaatse, een vloeroppervlakte heeft van ten minste 35 m2 .

Met betrekking tot je vraag of er ook uitzonderingen mogelijk zijn, wijs ik je op het bepaalde in artikel 4a van het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet.  Op grond van dit artikel (in werking getreden per 1 januari 2013) is in het besluit opgenomen dat de burgemeester kan besluiten af te wijken van deze oppervlakte-eis, indien er sprake is van een lokaliteit die is gevestigd in een beschermd monument als bedoeld in artikel 1, onder d, van de Monumentenwet 1988.

Op grond van artikel 1.13 van het Bouwbesluit 2012 kan voor monumenten een uitzondering worden gemaakt op de regels die betrekking hebben op ruimten met een bijeenkomstfunctie voor alcoholgebruik. Op grond daarvan is in het besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet de mogelijkheid opgenomen dat de burgemeester kan besluiten af te wijken van de minimale vereisten die gelden ten aanzien van het vloeroppervlakte (geldt ook voor de hoogte-eis) van een horecalokaliteit, als deze is gevestigd in een beschermd monument als bedoeld in artikel 1, onder d, van de Monumentenwet 1988.

Vraag

Kun je een zeecontainer die dienst doet als horecabedrijf kwalificeren als een inrichting met horecalokaal?

Antwoord

Er was eens een ondernemer en die een verlengde zeecontainer bij een meer en bestempelde dit als een inrichting met horecalokaal, met een uitgifteloket met luifel, een toiletgebouw, een container voor opslag (achter de zeecontainer). Voorts werd  ter plaatse een terras geëxploiteerd.

Een dergelijk horecalokaal moet op grond van artikel 3 van het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet 35 m. groot zijn. In artikel 1, eerste lid, van de Dhw is het begrip ‚horecalokaliteit’ gedefinieerd als: “een van een afsluitbare toegang voorziene lokaliteit, onderdeel uitmakend van een inrichting waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend, in ieder geval bestemd voor het verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse”.

Uit de definitie van het begrip horecalokaliteit vloeit voort dat het moet gaan om een ruimte die in beginsel toegankelijk is voor publiek en is bestemd voor het verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse. Dat betekent dat de zeecontainer in beginsel toegankelijk moet zijn voor publiek.

Tijdens de betreffende rechtszitting heeft de rechtbank het ervoor gehouden dat de verlengde zeecontainer in beginsel toegankelijk is voor publiek aangezien daarvoor een deur, anders dan de personeelsingang, die toegang ook daadwerkelijk verschafte en in een deel van de container lectuur was opgesteld die door het publiek ter lezing op het terras kan worden meegenomen.

De rechtbank vond het echter niet aannemelijk dat de verlengde zeecontainer ook bestemd was voor het verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse. Dat deze ruimte (ook) daarvoor zou zijn bestemd zou dan ook moeten blijken uit de feitelijke situatie waaronder de inrichting van die ruimte. Hetgeen uit de stukken en het verhandelde ter zitting was af te leiden, maakte niet aannemelijk dat de verlengde container genoemde bestemming had. De omstandigheid dat de containers werden gebruikt als keuken, werk- en opslagplaats, alsmede het feit dat de verkoop van consumpties plaatsvond via een loket aan de buitenzijde van de container wekte het vermoeden dat de container daarnaast niet ook nog bestemd was voor gebruik van alcoholhoudende drank binnen die ruimte.

Ook de aanwezigheid van een lectuuruitleenpunt wees daar niet op. Voormeld vermoeden werd bevestigd doordat niet is gebleken van inrichtingselementen die de ruimte geschikt maakten voor gebruik voor consumptie ter plaatse. Het standpunt dat sprake was van een lokaliteit met een afsluitbare toegang die onderdeel uitmaakte van een inrichting waaruit alcoholhoudende dranken werden verstrekt, miste feitelijke grondslag. Gelet op het vorenstaande is het bestreden besluit vernietigd wegens strijd met artikel 3 van het besluit in verbinding met artikel 1, eerste lid, van de DHW Gelet op die conclusie achtte de rechtbank termen aanwezig om gebruik te maken van haar bevoegdheid om zelf in de zaak te voorzien in dier voege dat zij het primaire besluit heeft herroepen en de aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de DHW heeft afgewezen (Rb. Roermond 22 mei 2008, nr. 08/11 HOREC K1, LJN BD2275).

Vraag

Mag in een lounge van een hotel alcohol worden geschonken?

Antwoord

Wanneer je in de lounge / lobby van het hotel kunt inchecken, kan die ruimte niet als horecalokaal op de drank- en horecavergunning worden vermeld omdat het aanbieden van de incheckfaciliteit wordt aangemerkt als het aanbieden van een dienst. En dienstverlening aanbieden in een horecalokaal is verboden op grond van het bepaalde in artikel 14, lid 3 onder b DHW.

Dat betekent vervolgens dat je de „incheckruimte”  moet afscheiden van de ruimte waar alcoholhoudende dranken worden verstrekt. Daarbij moet je het bepaalde in artikel 15, lid 1 DHW en artikel 1, lid 2 van het Besluit eisen inrichtingen DHW.

Vraag

Volgens een exploitant van een speelautomatenhal mag hij door een wetswijziging in de Drank- en Horecawet voortaan alcoholische drank schenken in zijn speelautomatenhal.

Als ik de wet erbij pak lees ik in de definitiebepalingen niet dat een speelautomatenhal in de Drank- en Horecawet wordt uitgesloten. In artikel 14 lid 2 wordt benoemd dat het verboden is een horecalokaliteit of een terras uit te oefenen, of te gebruiken als kleinhandel of zelfbedieningsgroothandel. 

In lid 3 van datzelfde artikel worden de in lid 2 bedoelde activiteiten beschreven en onder sub b. staat het bedrijfsmatig aanbieden van diensten, uitgezonderd diensten van recreatieve en culturele aard. Diensten van recreatieve en culturele aard zijn dus wel toegestaan. 

In lid 4 staat dan echter nog een uitzondering. Kansspelen in het algemeen worden niet als diensten van recreatieve aard gezien, behalve het aanwezig hebben van speelautomaten als bedoeld in titel Va van de Wet op de Kansspelen. 

Als ik in Titel Va van de Wet op de Kansspelen kijk dan beslaat deze de artikelen 30 t/m 30aa. In artikel 30c lid 1 staat zowel beschreven dat in hoogdrempelige inrichtingen als in een inrichting, anders dan een hoogdrempelige inrichting, bestemd om het publiek de gelegenheid te geven een spel door middel van kansspelautomaten te beoefenen, indien het houden van een zodanige inrichting krachtens een vergunning van de burgemeester bij gemeentelijke verordening is toegestaan. 

Ik kom op basis hiervan, hoe onwenselijk ook, tot de conclusie dat zowel de Wet op de Kansspelen als de Drank- en Horecawet geen verbod inhouden voor het schenken van alcoholische drank in een speelautomatenhal. Klopt dat?

Antwoord

Artikel 14 DHW geeft aan wat wel en niet in een horecalokaliteit mag plaatsvinden.

Diensten van recreatieve aard mogen plaatsvinden. Hieronder valt, zo stelt het 4e lid, niet het aanbieden van kansspelen.

Onder diensten van recreatieve aard als bedoeld in het derde lid, onder b, wordt namelijk niet verstaan het aanbieden van kansspelen, met uitzondering van het aanwezig hebben van speelautomaten als bedoeld in Titel Va van de Wet op de kansspelen.

In die titel Va staat artikel 30b. In artikel 30b van de Wet op de kansspelen (vergunningsplicht voor het opstellen van kansspelautomaten) staat dat er een vergunningsplicht geldt voor het aanwezig hebben van kansspelautomaten in hoogdrempelige inrichtingen (artikel 30c, lid 1 onder a). Daaraan wordt gerefereerd in artikel 14, lid 4 DHW. Een hoogdrempelige inrichting is nl. altijd een horecalokaal.

In artikel 30c wordt ook gerefereerd aan de vergunningsplicht voor het aanwezig hebben van kansspelautomaten in een inrichting, anders dan onder a, bestemd om het publiek de gelegenheid te geven een spel door middel van kansspelautomaten te beoefenen, indien het houden van een zodanige inrichting krachtens een vergunning van de burgemeester bij gemeentelijke verordening is toegestaan (artikel 30c, lid 1 onder b).

In artikel 14, lid 2 aanhef van de Drank- en Horecawet wordt echter geregeld dat een aantal vormen van dienstverlening niet is toegestaan in horecalokalen. Dat is nader uitgewerkt in het derde lid, in dit geval onder b.

Het gaat hier dus om horecalokalen en niet om inrichtingen zoals bedoeld in artikel 30c, lid 1 onder b van de Wet op de kansspelen (de speelcasino’s).

Artikel 30c, lid 1 onder b Wet op de kansspelen regelt dus alleen de vergunningsplicht voor het aanwezig hebben van kansspelautomaten en niet het verstrekken van alcoholhoudende dranken. Dat regelt nu juist de Drank- en Horecawet en die stelt dat dienstverlening (dat is onder meer het aanbieden van kansspelen) in horecalokalen is verboden.

Slechts het aanbieden van kansspelautomaten in horecalokalen is toegestaan. Wanneer dit nl. niet geregeld zou worden in de Drank- en Horecawet, dan zouden alle kansspelautomaten uit de horecabedrijven moeten worden verwijderd!

Kortom, het aanbieden van kansspelen in dezelfde ruimte als de ruimte waar alcoholhoudende drank wordt verstrekt voor gebruik ter plaats is verboden! Wat wel kan is dat in het bedrijf een ruimte waarin de kansspelautomaten van het speelcasino staan opgesteld wordt afgescheiden van de ruimte waarin alcoholhoudende dranken worden verstrekt voor gebruik ter plaatse.

De ruimte van het speelcasino mag vervolgens niet uitsluitend te bereiken zijn door eerst het horecalokaal te betreden (zie hiervoor artikel 15, lid 1 DHW).

Hieronder vermelden wij volledigheidshalve en ter nadere duiding nog even de passage uit de Memorie van toelichting van de wet tot wijziging van de Drank- en Horecawet (bladzijde 20, vergaderjaar 2008–2009, 32 022, nr. 3).

Aanpassing verbod verrichten diensten in horecalokaliteit Voorgesteld wordt verder het begrip diensten in artikel 14, derde lid, aan te passen. Het betreft het huidige verbod om een horecalokaliteit tevens in gebruik te hebben voor het bedrijfsmatig aanbieden van diensten. Dat verbod is op 1 november 2000 in werking getreden. De achtergrond van deze bepaling is – volgens de memorie van toelichting destijds – dat de wetgever het bijvoorbeeld onwenselijk vond dat een postagentschap is gevestigd in een horecalokaal. Andere ongewenste combinaties zijn een reisbureau, een kapper, een ticketbureau of een bank in een horecalokaal.

De huidige formulering leidt echter ook tot een verbod op het verstrekken van alcohol in bijvoorbeeld een ruimte waarin voorstellingen worden gegeven, films worden vertoond of wordt gesnookerd. Dat blijkt in de praktijk problemen te geven. Daarom wordt voorgesteld om «diensten van recreatieve en culturele aard» van dit verbod uit te zonderen. Hierdoor wordt het mogelijk gemaakt dat recreatieve spelen worden aangeboden in een horecalokaliteit, en ook andersom, dat in zalen waar recreatieve spelen worden gespeeld alcohol wordt geschonken. Het is echter niet gewenst dat in een horecalokaliteit kansspelen worden aangeboden, anders dan de reeds bestaande uitzondering voor speelautomaten in de Wet op de kansspelen.

Vraag

In een horecagelegenheid wordt een modeshow georganiseerd. Kleding wordt hier niet verkocht, dit gebeurt in de eigen winkel. Is dit een dienst, zodat dit niet mogelijk is of mag dit wel?

Antwoord

Er van uitgaande dat de modeshow plaatsvindt in de horecalokaliteit, dan geldt het volgende.

In artikel 14, lid 2 Drank- en Horecawet staat dat vormen van kleinhandel in een horecalokaal zijn verboden. Dus de verkoop van kleding in een horecalokaal is verboden. In artikel 14, lid 3 onder b DHW staat vermelden dat het verboden is in een horecalokaal bedrijfsmatig diensten aan te bieden, uitgezonderd diensten van recreatieve en culturele aard.

De vraag is nu of een modeshow kan worden gekwalificeerd als een dienst van recreatieve aard.

Onder recreatie verstaat men in het spraakgebruik alle vormen van vrijetijdsbesteding, alle activiteiten die kunnen worden gedaan naast de dagelijkse verplichtingen als werken, huishouden, financiën en zorg voor anderen.

Recreëren doet men voor ontspanning en vermaak. Het woord op zich, ‘re-creatie’ duidt op vernieuwing, verfrissing; de bedoeling van recreëren is het opladen van de persoonlijke actieradius, het vernieuwen van de energie, het verzetten van de zinnen en het ontladen van opgelopen spanning. Het kijken naar een modeshow zou hier mogelijk onder kunnen vallen.

De vraag is of dat ook de bedoeling is geweest van de wetgever.

De zinsnede : „uitgezonderd diensten van recreatieve en culturele aard” is toegevoegd aan artikel 14, lid 3 onder b DHW per 1 januari 2013.

De formulering in de wet van 1 november 2000, dus zonder toevoeging van de laatste zinsnede, leidde namelijk ook tot een verbod op het verstrekken van alcohol in bijvoorbeeld een ruimte waarin voorstellingen werden gegeven, films werden vertoond of werd gesnookerd.

Dat bleekt in de praktijk problemen te geven. Daarom zijn “diensten van recreatieve en culturele aard” per 1 januari 2013 van dit verbod uitgezonderd. Hierdoor is het mogelijk gemaakt dat recreatieve spelen worden aangeboden in een horecalokaliteit, en ook andersom, dat in zalen waar recreatieve spelen worden gespeeld alcohol wordt geschonken.

Het toevoegen van de zinsnede “uitgezonderd diensten van recreatieve en culturele aard” heeft positieve gevolgen voor bioscopen, theaters, schouwburgen, concertgebouwen, alsmede voor bowlingcentra en biljartcentra. Vanaf 1 januari 2013 mogen in een horecalokaliteit bedrijfsmatig recreatieve spelen en culturele diensten worden aangeboden. Dit is een aanzienlijke uitbreiding van de mogelijkheden voor de 225 bioscopen, 140 theaters, schouwburgen en concertgebouwen, 150 bowlingcentra en 220 biljartcentra die Nederland rijk is.  De wetgever heeft genoemde activiteiten in de Memorie van toelichtingen echter niet als limitatieve opsomming bedoeld maar als voorbeeld gegeven.

Je zou derhalve kunnen veronderstellen dat het kijken naar voorstelling of een film in de bioscoop in dezelfde lijn ligt als het kijken naar een modeshow. In dat geval zou een dergelijke modeshow zijn toegestaan. Waar de grenzen nu exact liggen is nu lastig te duiden.

Het is de vraag hoe de rechtspraak e.e.a. zal gaan uitleggen.

Vraag

Wat is de stand als het gaat om zowel anonimiteit toezichthouder en bevraagde jongeren in een bestuurlijke boete. Kan volstaan worden met nummers i.p.v. namen?

Antwoord

De NVWA werkt(e) in de boeterapporten met toezichthoudersnummers. Er komen geen namen van de toezichthouder in een BR. Deze namen zijn uiteraard wel voor de rechtbank opvraagbaar. De namen van de jongeren worden ook niet in het BR vermeld. Ook deze zijn voor verificatie beschikbaar.

Vraag

In de Drank- en Horecawet zie ik geen uitzondering voor uitvaartcentra. Dus zoals ik het lees moeten uitvaartcentra die een wijntje serveren i.p.v. de koffie met cake een drank- en horecavergunning aanvragen Klopt dit?

Antwoord

Een uitvaartcentrum is geen paracommerciële instelling, maar een commercieel bedrijf. Wanneer als onderdeel van de betreffende exploitatie bedrijfsmatig om anders dan om niet alcoholhoudende dranken worden verstrekt voor gebruik ter plaatse, dan is daarvoor op grond van het bepaalde in artikel 3 DHW een drank- en horecavergunning vereist.

Wanneer er geen vergunning is of wordt aangevraagd voor deze vorm van alcoholverstrekking, dan wordt het bepaalde in artikel 25, lid 1 onder a DHW, en mogelijk ook onder b overtreden. Dat levert een bestuurlijk beboetbaar feit op.

Vraag

Als wij een Drank- en Horecawetvergunning verstrekken doen wij dit conform het model D (+aanhangsel)zoals genoemd in artikel 3 van de Regeling aanvraaggegevens en formulieren Drank- en Horecawet 2013.

Nu stelt de Algemene wet bestuursrecht (artikel 3:46) dat een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering. Kun jij aangeven of het in dit geval een én-én verhaal is (én besluit conform model D én een begeleidende brief waarin gemotiveerd aangegeven wordt hoe tot de besluit gekomen is) of dat sec een besluit conform model D voldoende is?

Antwoord

Het klopt dat een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering. Maar de aanvrager vraagt in dit geval een vergunning aan en de burgemeester besluit om deze vergunning ook te verlenen. De aanvrager krijgt dus wat hij wil, nl. de vergunning. Een nadere motivering is dan niet meer nodig. Zo’n besluit behoeft dan ook niet nader te worden gemotiveerd. Daarom staat in artikel 3:48 Awb de vermelding van de motivering achterwege kan blijven indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daaraan geen behoefte bestaat.

Vraag

Nadat een gemeente de paracommerciële verordening heeft vastgesteld en daarbij wezenlijke veranderingen zijn ontstaan, is het dan wenselijk of verplicht om ook een nieuwe vergunning te verlenen als gemeente?

Antwoord

In de wet van 24 mei 2012 (tot inwerkingtreding van het wetsvoorstel tot wijziging van de DHW per 1 januari 2013) staat in artikel III het volgende vermeld:

ARTIKEL III

1.
        De in artikel 4 van de Drank- en Horecawet bedoelde verordening wordt voor de eerste maal tot stand gebracht binnen 12 maanden na de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel C, van deze wet (dat was dus per 1 januari 2014).

2.
        Op het tijdstip van inwerkingtreding van de in het eerste lid bedoelde verordening vervallen de voorschriften en beperkingen, gesteld op grond van artikel 4, tweede lid, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel C, van deze wet (dat zijn de voorschriften en beperkingen die in de verleende DH-vergunning aan paracommerciële instellingen zijn verleend voor inwerkingtreding van de nieuwe verordening).

3.
        Aan de totstandbrenging bedoeld in het eerste lid en de rechtsgevolgen bedoeld in het tweede lid, wordt door de burgemeester ruime bekendheid gegeven.

4.
        De burgemeester verstrekt de paracommerciële rechtspersoon zo nodig een gewijzigde vergunning, waarin de voorschriften en beperkingen die voor hem voortvloeien uit de in het eerste lid bedoelde verordening zijn opgenomen. Hier zit het antwoord op je vraag. Dus als de oude voorschriften en beperkingen in de oude dh-vergunningen niet meer overeenkomen met de in de nieuw vastgestelde paracommerciële verordening beschreven voorschriften en beperkingen, dan moet de burgemeester nieuwe dh-vergunningen verstrekken met de nieuwe voorschriften en beperkingen. Dat gebeurt dus niet op aanvraag van de instelling maar vanuit de wet zelf. Er is dus geen aanvraag, er kunnen daar dus ook geen leges voor worden gerekend. Wordt dus een ambtshalve wijziging waartegen natuurlijk weer bezwaar en beroep openstaat.

Vraag

Ik vraag mij af of een bejaardentehuis onder een paracommerciële instelling valt en daarmee ook gebonden is aan de DHW?

Antwoord

Een bejaardentehuis richt zich niet op activiteiten zoals opgesomd in artikel 1, lid 1 DHW, zijnde activiteiten van educatieve, recreatieve, sportieve, sociaal-culturele, godsdienstig of levensbeschouwelijke aard. Een bejaardentehuis levert intra en extramurale zorg.

Dat betekent feitelijk dat een bejaardentehuis in het kader van de toepassing DHW niet kan worden gekwalificeerd als een paracommerciële instelling. Vaak overigens wordt het horecagedeelte uitbesteed aan een bedrijfscateraar die dan vervolgens een reguliere d-vergunning aanvraagt.

Overigens zie je in den lande wel de trend dat in dergelijke situaties toch wordt geopteerd voor een paracommerciële vergunning, maar dat is dus ten onrechte. Vervolgens valt zo’n bejaardentehuis dan ook onder de paracommerciële verordening en zal het aantal bijeenkomsten van persoonlijke aard c.a. juist worden verboden of beperkt, en dat is vaak niet in het belang van de bewoners van de instelling.


Niets uit deze databank met jurisprudentie en/of de vragen en antwoorden gegeven bij de F.A.Q. mag worden verveelvoudigd, opgeslagen of voor commerciële doeleinden worden gebruikt op welke wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke goedkeuring van de Academie voor bijzondere wetten. Voor het overnemen van een gedeelte van teksten zoals hiervoor genoemd op grond van art. 16 Auteurswet 1912 dient u zich voor toestemming tevoren te wenden tot de Academie voor bijzondere wetten, Frank Joosten, Crown Business Center, A. Hofmanweg 5A, 2031 BH Haarlem.