zoeken

Feest in speeltuingebouw, bezoekers nemen zelf alcohol mee

Vraag

In onze gemeente hebben wij een grote binnenspeeltuin. De eigenaar van deze speeltuin verhuurt zijn locatie ook voor feestjes voor grote groepen waarbij alcohol geschonken wordt.

Nu geeft hij aan dat de mensen die het feestje organiseren zelf de drank meenemen, wij hebben aangegeven dat er helemaal geen drank aanwezig mag zijn.

Daarna gaf de eigenaar aan dat als hij een cateringbedrijf inhuurt dat dit waarschijnlijk wel zou mogen.

Wij zitten hiermee even in de knoop. Is hier dan alsnog een vergunning nodig voor de locatie of geldt voor een cateraar een andere regel?

Antwoord

In de situatie dat een eigenaar van een ruimte waarin feesten worden gegeven en waarbij de bezoekers zelf hun eigen alcoholhoudende dranken meebrengen, wordt in beginsel artikel 25, lid 1 onder a van de Drank- en Horecawet overtreden. In dit artikellid staat namelijk nadrukkelijk vermeld dat het degene die, anders dan in de rechtmatige uitoefening van (in dit geval) het horecabedrijf, een ruimte voor het publiek geopend houdt, verboden is om in die ruimte alcoholhoudende drank aanwezig te hebben.

Bovendien, zo stelt het tweede lid van artikel 25 Drank- en Horecawet, is het degene die, anders dan in de rechtmatige uitoefening van het horecabedrijf, een ruimte voor publiek geopend houdt, verboden toe te laten dat in die ruimte alcoholhoudende drank wordt genuttigd.

Het moet, zoals hiervoor beschreven, dan wel gaan om een ruimte die “voor het publiek geopend wordt gehouden”. In de situatie dat deze (feest)ruimte vaker wordt gebruik voor “besloten” feesten, ontstaat een situatie waarbij feitelijk een besloten feest wordt gehouden in een ruimte die voor het publiek geopend is (omdat een ieder deze ruimte zou kunnen huren). Deze redenering volgt uit de uitspraak van de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State van 14-08-1986 (AB 1987/113) en 28-12-1988 (Gemeentestem, nr. 6880).

In de situatie van verhuur van de (feest)ruimte worden beide artikelleden overtreden. Echter, daarbij is het vervolgens wel de vraag of de exploitant van de ruimte, de feitelijk verhuurder, het bepaalde in artikel 25, lid 1 onder a DHw overtreedt.

In dat kader wordt opgemerkt dat de burgemeester van Breda een hostel voor een bepaalde periode had gesloten omdat de exploitant van dit hostel de voornoemde bepaling (artikel 25, lid 1 onder a Drank- en Horecawet) had overtreden.

In de gastverblijven/slaapvertrekken hadden de gasten namelijk zelf drank meegenomen. De vraag was ook hier of deze ruimten konden worden gekwalificeerd als ruimten die “voor het publiek geopend worden gehouden”.

De burgemeester vond van wel, de exploitant vond van niet.

De rechtbank vond ook van wel (ECLI:NL:RBZWB:2019:3623, datum: 09-08-2019). Bij de vraag of sprake is van een voor het publiek geopende ruimte spelen een aantal criteria een rol, zoals beschreven in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 augustus 1986 (ECLI:NL:RVS:1986:AM9214). Tot die criteria behoren onder meer de frequentie waarin de ruimte wordt verhuurd, de controle op de groep bezoekers en de wijze waarop toezicht wordt uitgeoefend tijdens de periodes dat een ruimte is verhuurd.

Toegepast op deze casus kwam de rechtbank tot het oordeel dat de feitelijke exploitatie op een zodanige wijze wordt gevoerd dat – bezien in het licht van doel en strekking van de DHW – niet meer kan worden gesproken van een besloten inrichting. De ruimte waar de alcoholhoudende drank is aangetroffen vormt dan ook een voor het publiek geopende ruimte.

Partijen verschillen vervolgens van mening over de vraag of gelet op het feit dat de drank toebehoorde aan de gasten en niet aan de exploitant, sprake kan zijn van overtreding van artikel 25, eerste lid, aanhef en onder a, van de DHW.

Volgens de burgemeester is de strekking van artikel 25, eerste lid, van de DHW zodanig dat die verbodsbepaling inhoudt dat eenieder die gebruik maakt van de ruimte die voor het publiek geopend wordt geen alcoholhoudende drank bij zich mag hebben. Ondanks het feit dat de drank toebehoorde aan de gasten en niet aan de exploitant, is er sprake van een overtreding van artikel 25, eerste lid, aanhef en onder a, van de DHW.

Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat de door de burgemeester bepleite ruime strekking van artikel 25, eerste lid, aanhef en onder a, van de DHW niet volgt uit de tekst van de wet en dat de burgemeester daarvoor evenmin steun heeft gevonden in de rechtspraak of wetsgeschiedenis.

Aan de rechtbank is niet gebleken dat de wetsgeschiedenis of de rechtspraak aanknopingspunten biedt voor de door de burgemeester voorgestane ruime uitleg van artikel 25, eerste lid, aanhef en onder a, van de DWH. Overtreding van voorschriften, gesteld bij of krachtens artikel 25, eerste lid, aanhef en onder a, van de DWH is in artikel 1, aanhef en sub 4° van de Wet economische delicten aangemerkt als een economisch delict. Dit vormt naar het oordeel van de rechtbank juist een contra-indicatie voor een ruime uitleg.

In het licht van het legaliteitsbeginsel en het lex-certa beginsel moet immers voor eenieder duidelijk zijn welk handelen of nalaten leidt tot strafrechtelijke aansprakelijkheid. Gelet hierop kan de rechtbank de burgemeester niet volgen in de door hem bepleite ruime uitleg van artikel 25, eerste lid, aanhef en onder a, van de DHW. 

Naar het oordeel van de rechtbank is bij degene die een ruimte voor het publiek geopend houdt geen sprake van een overtreding van artikel 25, eerste lid, aanhef en onder a, van de DHW wanneer in die ruimte weliswaar alcoholhoudende drank aanwezig is, maar die drank niet toebehoort aan degene die de ruimte voor het publiek geopend houdt. Dat betekent dat er in dit concrete geval geen sprake was van een overtreding van artikel 25, eerste lid, aanhef en onder a, van de DHW, zodat de burgemeester niet bevoegd was om op die wettelijke grondslag handhavend op te treden. 

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat dit oordeel onverlet laat dat het degene die een ruimte voor het publiek geopend houdt op grond van artikel 25, tweede lid, van de DHW verboden is toe te laten dat in die ruimte alcoholhoudende drank wordt genuttigd.

Cateringbedrijf

In de situatie dat een cateringbedrijf wordt ingehuurd, wordt in de betreffende ruimte bedrijfsmatig (door de cateraar) alcoholhoudende dranken verstrekt voor gebruik ter plaatse. Dat is een activiteit die in artikel 1, lid 1 van de Drank- en Horecawet wordt omschreven als het “horecabedrijf”. In artikel 3 van de DHW staat vervolgens vermeld dat het zonder daartoe strekkende vergunning van de burgemeester verboden is om het horecabedrijf uit te oefenen.